Je poep laten invriezen voor later: in eerste instantie lijkt het een bizar idee. Maar in tweede instantie klinkt het misschien wel als een heel goed plan.

Want stel nu dat je over een x-aantal jaar een ziekte krijgt die verband houdt met het microbioom: de verzameling microben in je darmen. Dan zou het handig kunnen zijn als je met behulp van je eigen poep je microbioom kunt ‘resetten’.

Daarom pleiten de Amerikaanse wetenschappers Shanlin Ke, Scott Weiss en Yang-Yu Liu in het tijdschrift Trends in Molecular Science voor een poepbank met poepmonsters. De vraag is alleen of het daar niet wat vroeg voor is.

Dramatische mismatch

Onze microbiomen veranderen, schrijven Ke en collega’s aan het begin van hun artikel. Door bijvoorbeeld antibiotica, bewerkte voedingsmiddelen, kunstvoeding voor baby’s en toegenomen hygiëne lopen we nu met minder soorten microben in en op ons lichaam rond dan enkele decennia geleden. En dat kan de kans op allerlei ziektes flink hebbenvergroot, van astma tot darmkanker, en van diabetes type 2 tot hart- en vaatziektes.

Moeten we dan uitzoeken wat ons microbioom was vóór de industriële revolutie en het in die staat terugbrengen? Volgens Ke, Weiss en Liu wordt daar de laatste jaren wel over gesproken, maar kan die strategie tot grote problemen leiden. “Dat kan een dramatische mismatch opleveren tussen onze huidige industriële omgeving en leefstijl en het microbioom van onze voorouders.” Nog los van de vraag wat dat voorouderlijk microbioom dan precies geweest moet zijn.

Ingevroren poep

Vervolgens suggereren de Amerikaanse wetenschappers een wat minder vergaand alternatief. Zou het niet handig zijn als je de poep van gezonde mensen tussen de 18 en de 35 invriest? Krijgen die later in hun leven te maken met een aandoening die te maken heeft met het microbioom, dan kun je ze een poeptransplantatie geven. Hun eigen ‘oude’ poep wordt ingebracht in hun darmen, zodat die weer dezelfde microbensamenstelling krijgen als vroeger.

Nu vinden er op het moment ook al poeptransplantaties plaats – maar daarbij gaat het altijd om poep van een ander die bij een patiënt wordt ingebracht. Daarbij kunnen donor en ontvanger slecht bij elkaar blijken te passen, schrijven Ke, Weiss en Liu, waardoor de behandeling niet of minder goed aanslaat. En dat probleem is “te vermijden, of op zijn minst te verkleinen”, als je mensen hun eigen poep geeft, vervolgen ze.

Totaal geen afweer

Ed Kuijper, emeritus hoogleraar medische microbiologie aan het LUMC en verbonden aan de Nederlandse Donor Feces Bank aldaar, tempert echter de verwachtingen. “Poeptransplantaties zijn alleen bewezen effectief bij het bestrijden van infecties met de bacterie Clostridioides difficile”, zegt hij. Bij alle andere ziektes waarvan wordt gedacht dat een poeptransplantatie kan helpen, loopt het onderzoek nog en zijn er op dit moment geen harde conclusies te trekken.

Wel zijn Amerikaanse onderzoekers aan het bekijken of de techniek van pas kan komen bij beenmergtransplantaties. “Na zo’n transplantatie hebben patiënten langere tijd totaal geen afweer, waardoor ze heel vatbaar zijn voor allerlei infecties”, vertelt Kuijper. “De gedachte is daarbij dat hun verstoorde darmmicrobioom ervoor zorgt dat hun immuunsysteem minder goed werkt. Voordat ze behandeld worden, kun je dan poep bij ze afnemen, die je ze na de transplantatie teruggeeft. Dat zou dan kunnen leiden tot minder immunologische complicaties en ervoor kunnen zorgen dat het nieuwe beenmerg sneller aanslaat. Maar we wachten nog steeds op de resultaten van dat onderzoek.”

Zoveel vragen

Het aantal aandoeningen waarvan we nu weten dat ze echt goed met een poeptransplantatie te bestrijden zijn, is dus heel klein. Bovendien missen we nog heel veel andere kennis, zegt Kuijper. “Stel, ik werk straks bij zo’n poepbank en iemand meldt zich die zijn oude microbioom terug wil. Hoe ga ik dat dan doen? Ontdooi ik zijn poepmonster en gebruik ik dat in één keer, of geef ik hem vier weken lang een wekelijkse dosis? Ga ik die patiënt voorbehandelen met antibiotica? Breng ik zo’n monster rectaal in, of in de vorm van een pil? Er zijn nog zoveel vragen die totaal onopgelost zijn. Waarom zou je nu al gaan nadenken over het opslaan van poepmonsters op jonge leeftijd, terwijl je nog niet eens weet hoe je die later kunt toedienen?”

In bepaalde gevallen kan het opslaan van poepmonsters wel nut hebben, zegt Kuijper. “Stel dat een afwijking die met het microbioom samenhangt in bepaalde families veel voorkomt. Dan zou je bij díé mensen op jonge leeftijd poep kunnen afnemen, en die bewaren voor het geval ze later de eerste symptomen gaan vertonen. Maar dan moet je eerst onderzoek naar doen naar het verband tussen een defect in het microbioom en het ontstaan van die afwijking.”

Een ander idee dat Kuijper graag onderzocht ziet worden: mensen kunnen in het buitenland een bacterie oplopen die heel ongevoelig is voor antibiotica. “Bij die mensen zou je dan voor vertrek een poepmonster kunnen afnemen. Als ze dan na terugkomst zo’n resistente bacterie blijken te hebben, kun je dat monster weer bij ze inbrengen om die bacterie te verdringen.”

Poep op de bank

Maar poepmonsters van grote aantallen mensen opslaan in een poepbank ‘voor het geval dat’, daar ziet Kuijper het nut niet van in. Interessant is dat Ke, Weiss en Liu zelf ook niet aannemen dat elke burger straks een kleine hoeveelheid poep ‘op de bank heeft staan’. Ze denken dat de patiënten zelf zullen opdraaien voor de kosten voor het afnemen en opslaan van hun poepmonsters en schrijven: “We verwachten niet dat alle individuen in onze samenleving bereid zouden zijn die kosten te betalen.”

Oftewel: de poepbank zou er zijn voor mensen met voldoende geld, die zich ervan hebben laten overtuigen dat ze in de toekomst weleens voordeel zouden kunnen hebben van dat beetje diepgevroren poep. “Dat klinkt vooral als een aantrekkelijk businessmodel”, zegt Kuijper. “Je kunt er veel geld mee verdienen, maar het heeft nog weinig bewezen nut.”