De propaganda van de nazi’s veranderde in de aanloop naar de Holocaust. Om de massaslachting te rechtvaardigen werden Joden afgeschilderd als kwaadaardige mensen.

Eerst was de nazipropaganda vooral gericht op het wegnemen van morele bezorgdheid. Later verschoof de toon naar de demonisering van de Joden: zij zouden in- en inslecht zijn en daarom moeten worden uitgeroeid. Dat blijkt uit een taalanalyse van onderzoeker Alexander Landry en zijn team van Stanford University. In het algemeen wordt ontmenselijking of dehumanisering van een bevolkingsgroep in propaganda gezien als een voorbode van massaal geweld. Door een groep mensen af te schilderen als een kwaadaardige soort kunnen overheersers de morele remmingen wegnemen, die mensen normaal hebben bij het schade toebrengen aan hun soort. Heel veel bewijs was er echter nog niet voor die theorie.

57.000 boosaardige woorden
Om de rol van ontmenselijking bij massaal geweld beter te begrijpen, voerden Landry en collega’s een taalkundige analyse uit van nazipropaganda. Ze verzamelden 140 antisemitische uitingen, zoals posters, pamfletten, kranten en teksten van toespraken, voor en tijdens de Holocaust. In totaal ging het om ruim 57.000 woorden. De onderzoekers keken hoe vaak bepaalde termen voorkwamen, die verwezen naar enerzijds ervaringen en emoties, zoals pijn of genieten, en anderzijds naar het verstand en ratio, zoals plannen, denken en bewust handelen. De bevindingen tonen aan dat de propaganda in de aanloop naar de Holocaust het vermogen van Joden om menselijke emoties te ervaren geleidelijk ontkende. Dat komt dus overeen met het idee dat deze vorm van ontmenselijking morele remmingen wegneemt.

Landry geeft in gesprek met Scientias.nl meer uitleg over die verschuiving van de termen die voorkwamen in de nazipropaganda. “We keken naar woorden die verwezen naar ‘ervaring’, oftewel het vermogen om sensaties en emoties te voelen, en naar termen die wezen op ‘agency’, de capaciteit om complexe gedachten te hebben, te plannen en doelbewust te handelen.” Waarom dit onderscheid zo belangrijk is? “Het erkennen van iemands gevoelsleven zorgt voor morele bezorgdheid en bescherming tegen geweld, terwijl het erkennen van iemands ratio hen moreel verantwoordelijk houdt voor hun gedrag.”

Kwade opzet
En precies dat verschoof in de aanloop naar de Holocaust. “We merkten dat het vermogen om emoties te ervaren van Joden langzaam verdween uit de propaganda. Dat suggereert dat morele bezorgdheid voor de Joden steeds meer werd ontkend in deze periode. Dit kan al hebben geholpen om het systematische geweld tegen Joden te faciliteren. Maar na het begin van de Holocaust werd Joden een groter vermogen tot complex kwaadaardig denken toegedicht. Dit was mogelijk een poging van de nazi’s om Joden de demoniseren door hen af te schilderen als opzettelijk kwaadaardige mensen. Zo konden ze het geweld tegen Joden verder rechtvaardigen”, verklaart Landry. “Deze conclusie wordt ondersteund door de specifieke agency-termen die we vonden in de latere propaganda, zoals kwaad, duivels en plannen.”

De blauwe balken tonen de toename van agency-woorden na het begin van de Holocaust. De grijze balken laten zien welke woorden juist steeds minder vaak voorkwamen. Afbeelding: Alexander Landry

Tijdens de Holocaust werd in de propaganda dus steeds vaker taal gebruikt die verwees naar boze opzet en kwaadwillendheid. Deze verschuiving van de gebruikte taal diende wellicht om Joden neer te zetten als het meesterbrein achter snode plannen. Het rechtvaardigde het geweld niet alleen voor het volk, maar stelde ook de uitvoerders van de straffen gerust, die vaak getraumatiseerd waren door hun ervaringen met het massaal doden van Joden.

Toxisch proces
De verschuiving van de nazipropaganda maakt duidelijk dat er goed over werd nagedacht en dat het subtiel gebruik van bepaalde taal de dynamiek van ontmenselijking kan bevorderen, waardoor massaal geweld langzaam en op verschillende manieren gerechtvaardigd kan worden. “We ontdekten dat Joden geleidelijk het vermogen werd ontnomen tot de ervaring van menselijke emoties. Dit gebeurde in de opmaat naar de Holocaust, wat suggereert dat ontmenselijking een motief kan vormen voor geweld door de morele bezorgdheid over slachtoffers te verminderen”, aldus de onderzoekers.

“Het was heel opmerkelijk om te zien hoe het gebruik van agency-termen, vooral die gericht op kwaadaardigheid en opzettelijkheid, toenam richting Joden, precies op het moment dat ze het meest kwetsbaar waren voor vervolging. Het blijft speculeren, maar je zou kunnen zeggen dat dit een toxisch psychologisch proces van rationalisering demonstreert. Feit is dat de daders van de Holocaust werkelijk geloofden dat hun slachtoffers fundamenteel slecht waren, zo slecht dat ze allemaal – mannen, vrouwen en kinderen – compleet uitgeroeid moesten worden.”

Les voor de toekomst
De onderzoeker legt uit dat, hoewel genocide een bijzonder extreme uitkomst is, dit proces van het demoniseren van onze ‘vijanden’ een veelvoorkomende eigenschap is van de menselijke psychologie. “We zien het nog steeds in de gemoraliseerde politieke retoriek in bijvoorbeeld de VS. Dus ik denk dat een les die we kunnen leren uit deze studie is dat we onze neiging moeten erkennen – en onderdrukken – om de mensen met wie we het oneens zijn of die andere waarden hebben, te demoniseren, omdat dit proces van demonisering het ons veel makkelijker maakt om geweld te plegen.” Door ons hier bewust van te zijn, kunnen we bijdragen aan het voorkomen van gruwelijkheden in de toekomst.