Welke rol speelden bosbranden tijdens de grootste ramp ooit? Dat hebben wetenschappers helder proberen te krijgen door naar houtskoolresten te kijken.

Zo’n 252 miljoen jaar geleden vond de grootste massa-uitsterving in de geschiedenis van de aarde plaats: de Perm-Trias- of PT-extinctie. Onder andere legde 81 procent van de soorten in zee het loodje, alsmede 70 procent van de gewervelde diersoorten op het land. Hoe die ramp precies verliep, is al jaren onderwerp van onderzoek.

Nu doen paleontoloog Chris Mays van University College Cork in Ierland en Stephen McLoughlin van het Zweeds Natuurhistorisch Museum in Stockholm een duit in het zakje. In een nieuwe studie proberen ze de rol die bosbranden destijds speelden op te helderen.

Zure regen en metaalvergiftiging

De meest geaccepteerde oorzaak van de PT-extinctie waren uitbarstingen van de Siberische Trappen, een vulkanische vlakte in het huidige Siberië. Die zouden grote hoeveelheden koolstofdioxide de lucht in hebben gepompt. Dat leidde vervolgens niet alleen wereldwijd tot een hogere temperatuur, maar ook onder meer tot aantasting van de ozonlaag, zure regen en vergiftiging door zware metalen. Met alle gevolgen voor het aardse leven van dien.

Ook werkten de uitbarstingen bosbranden in de hand. Maar, zo vragen Mays en McLoughlin zich af: wat waren precies de effecten van die bosbranden?

Alsnog fataal

Voor hun onderzoek keken Mays en McLoughlin naar houtskoolresten in Oost-Australië en het oosten van Antarctica. Enerzijds laten die zien dat drasland in het zuidelijke supercontinent Gondwana al vóór de PT-extinctie geregeld te maken had met bosbranden. Daar hadden de planten op verschillende manieren mee leren omgaan, zo is het idee.

Rond de PT-extinctie schoot de frequentie van branden echter flink omhoog. Daardoor moesten de planten in de Gondwanaanse (?) draslanden alsnog het veld ruimen. “En dat kan een sleutelrol gespeeld hebben bij het instorten van ecosystemen op het land tijdens de PT-extinctie”, schrijven Mays en McLouglin. Bovendien zullen die branden extra broeikasgassen hebben uitgestoten die de door de Siberische Trappen ingezette klimaatverandering hebben verergerd.

Ná de extinctie, aan het begin van het volgende tijdvak, het Trias, was het aantal branden juist miljoenen jaren lang erg laag, zo laat de hoeveelheid steenkool zien. “Op basis hiervan concluderen de onderzoekers dat rond het uitsterven veel biomassa moet zijn verbrand, waardoor er daarna minder vegetatie was, en dus minder branden”, zegt Dennis Voeten, curator gewervelden aan het Evolutiemuseum van de Universiteit van Uppsala.

Puzzel

Biogeochemicus Martin Schobben van de Universiteit Utrecht noemt de studie “zeer solide en intrigerend”. Hij vindt het onder meer sterk dat Mays en McLoughlin zowel naar kleine, middelgrote als grote houtskooldeeltjes hebben gekeken.

Ook Voeten vindt het onderzoek gedegen. Wel merkt hij op dat het verband tussen de PT-extinctie en bosbranden al eerder is gevonden. “Maar het is altijd goed om dat soort informatie van meerdere locaties beschikbaar te hebben.”

Volgens Voeten zijn er echter originelere benaderingen nodig om écht scherp te krijgen wat er 252 miljoen jaar geleden precies gebeurde. Daar is bovendien “informatie uit een veelheid van bronnen en vakgebieden” voor nodig. “Alleen daarmee zal de puzzel van de PT-extinctie in de toekomst kunnen worden opgelost.”

Les voor het heden

Mays ziet in het onderzoek een les voor het heden. De huidige klimaatverandering leidt ook tot een toename van droogtes en bosbranden in gebieden die normaal gesproken vrij nat zijn – en waar veel koolstof in is opgeslagen. “In tegenstelling tot de soorten die in het verleden hadden te leiden onder massa-uitstervingen, hebben wij de kans om het verbanden van die koolstofopslagplaatsen te voorkomen, en zo de ergste gevolgen van de huidige opwarming te voorkomen”, zegt Mays in een persbericht.