Werkmier of koningin? Dit is hoe dat wordt bepaald

In een mierenkolonie weet iedere mier precies wat zijn rol is in het geheel. Maar wat bepaalt eigenlijk wie een werkmier wordt en wie de eer heeft om de koningin te mogen zijn? Achter dit proces blijkt een intrigerend samenspel van genetica, omgevingsfactoren en lichaamsgrootte schuil te gaan.

Nieuw Amerikaans onderzoek toont aan dat het niet alleen draait om wat je eet als larve, maar dat ook de genen waarmee je geboren bent de toekomstige rol in de kolonie bepalen.

Nature-nurture
Bij veel mierensoorten bepaalt de ‘kaste’ het lot van een individu: koninginnen zijn groot, hebben vleugels en leggen eieren. Werksters zijn kleiner, vleugelloos en houden de boel draaiende. Toch zijn deze totaal verschillende levenspaden vaak het resultaat van precies hetzelfde DNA. Hoe is dat mogelijk? “Een mierenvrouwtje is eigenlijk een ideaal model om te begrijpen hoe dezelfde genen tot totaal andere uitkomsten kunnen leiden”, zegt professor Daniel Kronauer van de Rockefeller University in New York. “Het fascinerende is dat het niet alleen draait om wat je eet of hoeveel, maar ook om wie je genetisch bent.”

In het lab van Kronauer onderzochten wetenschappers hoe grootte en kaste zich tot elkaar verhouden bij de kloon-roofmier (Ooceraea biroi). Deze mier plant zich voort via klonen, dat wil zeggen: alle nakomelingen zijn genetisch identiek en haar levenscyclus is sterk gesynchroniseerd. De onderzoekers konden daardoor perfect controleren welke invloed genen en omgeving hebben op de ontwikkeling van jonge mieren. Een kloon-roofmier-kolonie heeft geen ‘echte’ koningin in de gelederen, maar er lopen wel individuen in rond, de zogenaamde ‘interkastes’, die qua ontwikkeling erg lijken op koninginnen. Ze zijn groter, hebben grote eierstokken, rudimentaire ogen en iets wat voor vleugels moet doorgaan. “Wij werken met deze ongewone mierensoort omdat we anders het genotype van de mier niet kunnen controleren”, zegt Kronauer. “Met klonerende roofmieren kunnen we een soort grootschalige identieke tweelingstudie doen om te bepalen wat de invloed is van de omgeving op het volwassen fenotype.”

Kroonkansen
Uit de studie blijkt dat hoe groter de mier is, hoe groter de kans dat ze kenmerken ontwikkelt die bij een koningin horen. Denk aan grotere ogen, een vleugelachtig aanhangsel en een sterk ontwikkelde eierstok. Het bijzondere hieraan is dat het de genen zijn die bepalen bij welke grootte deze koninklijke eigenschappen beginnen te verschijnen. “Je kunt twee mieren hebben van exact dezelfde lengte, maar door een verschillend genetisch profiel heeft de ene mier veel meer kans om koningin te worden dan de andere”, legt onderzoeker Patrick Piekarski uit.

Het team ontdekte dit door genetisch identieke larven op te laten groeien onder verschillende omstandigheden: de wetenschappers gaven sommige groepen meer eten dan andere en ook kregen de insecten verschillende temperaturen voor de kiezen. Telkens bleek: zolang een larve niet een bepaalde grootte bereikt, ontwikkelt ze zich niet tot een koningin, wat de omstandigheden ook zijn. Wordt ze wél groot genoeg, dan krijgt ze koninklijke trekjes. Maar toen het team de larven van verschillende genetische lijnen vergeleek, die allemaal onder dezelfde omstandigheden waren opgegroeid, zagen ze dat genen ook bepaalden hoeveel groei nodig was voor een mier om koningin te worden.

Superorganisme
Deze bevindingen geven ons een prachtig inkijkje in hoe een mierenkolonie als superorganisme functioneert: een geheel waarin genetisch identieke individuen totaal verschillende taken uitvoeren, vergelijkbaar met cellen in het menselijk lichaam. “De hersenen van een werkmier en een koningin zijn compleet verschillend”, vertelt Kronauer. “En dat vertaalt zich in gedrag: de werksters jagen, bouwen en verzorgen. De koningin doet bijna niets anders dan eieren leggen. Dus als we begrijpen hoe lichaamsgrootte en kaste samenhangen, snappen we ook meer van hoe gedrag en taakverdeling in een kolonie ontstaan.”

De moraal van het mierenverhaal
Koningin word je dus niet zomaar. De omgeving speelt zeker een rol, maar zonder de juiste genetische aanleg en voldoende groei blijft de kroon buiten bereik. En misschien is dat niet alleen bij mieren zo. Dit onderzoek helpt wetenschappers beter te begrijpen hoe identieke genen toch tot heel uiteenlopende levens kunnen leiden, bij insecten maar ook bij mensen.

Categorieën:

Bronmateriaal

Fout gevonden?

Voor jou geselecteerd