Elke zoogdiersoort reageert weer anders op klimaatverandering en de gevolgen voor zijn leefmilieu. Uit Scandinavisch onderzoek onder 157 soorten blijkt dat langlevende dieren die weinig nageslacht voortbrengen, zoals beren en bizons, minder kwetsbaar zijn dan kleine, korter levende dieren, zoals muizen en lemmingen.

De gemiddelde temperatuur op aarde stijgt snel. Waren er eerst enkel wetenschappelijke bewijzen voor klimaatverandering, nu merken we het ook in het dagelijks leven. Extreem weer, zoals langdurige droogte en hevige regenval, komt steeds vaker voor. En dit zal de komende decennia alleen maar erger worden. Hoe zullen de ecosystemen reageren op deze grote veranderingen? “Dat is de grote vraag en de drijvende kracht achter ons onderzoek”, zegt bioloog John Jackson van de Universiteit van Zuid-Denemarken (SDU), op dit moment verbonden aan Oxford University.

Een duidelijk patroon
In de studie, die in vakblad eLife verscheen, analyseerde hij met collega’s gegevens over de fluctuaties binnen de populaties van 157 zoogdiersoorten uit alle hoeken van de wereld. Deze data vergeleken ze met de weer- en klimaatgegevens in hun leefgebieden. Voor elke zoogdiersoort was er minstens tien jaar aan gegevens voorhanden. Analyse daarvan heeft hen inzicht gegeven in de mate waarin deze populaties zich konden aanpassen aan de extreme weersomstandigheden. Groeide of kromp het aantal dieren? Kregen ze meer of minder nakomelingen?

“We zien een duidelijk patroon: dieren die lang leven en weinig nakomelingen hebben, zijn bij extreem weer minder kwetsbaar dan dieren die kort leven en veel nakomelingen hebben. Voorbeelden van minder kwetsbare dieren zijn lama’s, langlevende vleermuizen en olifanten. Andersom hebben muizen, buidelratten en zeldzame buideldieren zoals de woylie het een stuk moeilijker”, zegt Owen Jones.

Snelle ineenstorting, maar ook grote groeicijfers
Grote, langlevende dieren kunnen beter omgaan met omstandigheden zoals langdurige droogte. Hun vermogen om te overleven, zich voort te planten en hun nakomelingen groot te brengen, wordt niet even hard aangetast als bij kleine, kortlevende dieren het geval is. Olifanten kunnen bijvoorbeeld hun energie steken in één nakomeling, of gewoon wachten op betere tijden wanneer de omstandigheden precair worden. De populaties van kleine, korter levende knaagdieren zijn onderhevig aan extremere veranderingen. Ze hebben veel meer last van langdurige droogte omdat dit hun voedselbronnen zwaarder aantast. Insecten, bloemen en fruit verdwijnen, waardoor de kleine zoogdieren verhongeren. De beestjes hebben bovendien maar weinig vetreserves.

Kleine knaagdieren zoals de opossum zijn extra gevoelig voor klimaatverandering. Foto: Karolina Images

Positief is dat populaties van kortlevende zoogdieren juist enorm toe kunnen nemen wanneer de omstandigheden verbeteren. Ze profiteren enorm van de vette jaren omdat ze – in tegenstelling tot grote zoogdieren – erg veel nakomelingen in een korte tijd kunnen produceren. “Deze kleine zoogdieren reageren snel op extreem weer, maar het werkt beide kanten op. Hun kwetsbaarheid voor extreem weer heeft daarom niet direct te maken met het risico van de soort op uitsterving. Deze dingen moeten we niet door elkaar halen”, zegt bioloog John Jackson. “Vernietiging van het leefgebied, stroperij, vervuiling en invasieve soorten (exoten) zijn factoren die wel veel diersoorten bedreigen. In veel gevallen is klimaatverandering niet eens de grootste bedreiging.”

Meer inzicht en kennis
Het onderzoek geeft niet alleen inzicht in de manier waarop deze specifieke 157 zoogdiersoorten reageren op klimaatverandering. De studie zorgt ook voor een beter algemeen begrip over het effect van de aanhoudende klimaatverandering op aarde en wat dat met allerlei verschillende diersoorten en ecosystemen doet. “We verwachten dat klimaatverandering in de toekomst voor meer extreem weer gaat zorgen. Dieren zullen hiermee om moeten gaan en zich moeten aanpassen aan de omstandigheden. Onze analyse helpt te voorspellen hoe verschillende diersoorten gaan reageren op toekomstige klimaatverandering. Hierbij gebruiken we hun algemene kenmerken als basis, ook al hebben we maar beperkte gegevens over hun populaties”, zegt Owen Jones.

Een voorbeeld is de woylie, een zeldzaam Australisch buideldier. Biologen weten maar weinig over deze soort, maar omdat hij een aantal dingen gemeen heeft met de muis – hij is klein, leeft maar een korte tijd en plant zich snel voort – is te voorspellen hoe deze soort ongeveer zal reageren op extreme weersomstandigheden.

Hele ecosystemen zullen veranderen
“Op deze manier kunnen we de reactie van vele andere diersoorten, waarvan we nog niet veel weten, toch vrij goed voorspellen”, aldus Jackson. Het onderzoek maakt duidelijk dat het vermogen van verschillende diersoorten om zich aan te passen aan klimaatverandering gekoppeld is aan hun overlevingsstrategie.

Soorten kunnen onder druk van klimaatverandering gedwongen worden om een andere leefomgeving te zoeken. Op deze manier leidt opwarming van de aarde tot verandering van een ecosysteem en de dieren en planten die er deel van uitmaken. Wat ooit een ideale habitat was voor een bepaalde diersoort, kan in korte tijd onherbergzaam worden. Deze verschuivingen zijn afhankelijk van de manier van leven en voortplanten van de desbetreffende dieren en kunnen grote gevolgen hebben voor het functioneren van deze ecosystemen.

Overzicht diersoorten
Meer last van extreem weer: verschillende soorten grasmuizen, de opossum, lemming, woelmuis, poolvos, hermelijn, spitsmuis, woylie en de eekhoorn.

Minder last van extreem weer: Afrikaanse olifant, Siberische tijger, chimpansee, hoefijzervleermuis, langvleugelvleermuis, lama, vicuña (kameelachtige), witte neushoorn, grizzlybeer, Amerikaanse bizon en de klipspringer