Britse onderzoekers hebben veertig jaar aan vakliteratuur doorgespit om te bepalen wat mensen typeert die geloven in geesten, gedachtelezen, helderziendheid enzovoort.

Mensen die zelf sceptisch staan tegenover paranormale verschijnselen, zullen zo het hunne denken van mensen die er volop in geloven. Maar op welke manieren verschillen beide groepen van elkaar? Dat onderzochten Charlotte Dean en collega’s van de Universiteit van Hertfordshire in Engeland.

Dean en haar team deden daarvoor niet zelf onderzoek. In plaats daarvan verzamelden ze zoveel mogelijk studies over het onderwerp van de afgelopen veertig jaar. Die namen ze kritisch onder de loep om te bepalen welke algemene conclusies je daaruit zou kunnen trekken. Heel veel blijken dat er alleen niet te zijn.

Ontbrekende artikelen

Aanvankelijk vonden de onderzoekers 475 mogelijk relevante studies in een viertal databases met wetenschappelijke artikelen. Daarvan namen ze er uiteindelijk 71 mee in hun overzicht, waar in totaal bijna 21.000 proefpersonen aan deelnamen.

Dat klinkt misschien als een flink aantal. Toch lijkt het erop dat de onderzoekers lang niet alle studies naar geloof in het paranormale boven water hebben weten te krijgen. “Maar de helft van de artikelen op mijn CV die me relevant leken voor dit onderwerp zijn meegenomen”, zegt Chris French, emeritus hoogleraar psychologie aan het Goldsmiths College van de University of London. “Daardoor vraag ik me af hoeveel relevante artikelen van andere labs buiten beschouwing zijn gebleven.”

Gezichten herkennen

Wat de wél bestudeerde artikelen betreft: daar komt een aantal eigenschappen uit naar voren die ‘gelovers’ met elkaar lijken te delen. Ze lijken bijvoorbeeld vaak intuïtieve denkers te zijn: ze denken “snel en laten zich daarbij leiden door hun emoties”.

Ook zijn ze meer dan sceptici geneigd tot confirmation bias (‘bevestigingsvooroordeel’). Dat wil zeggen: ze kennen meer waarde toe aan informatie die hun ideeën bevestigt, dan aan informatie die dat niet doet. Ook wuiven ze makkelijker bewijsmateriaal weg dat hun ideeën tegenspreekt. Verder hebben ze vaker de neiging om ten onrechte gezichten te herkennen in plaatjes.

Elkaar tegensprekende studies

Volgens een meerderheid van de bekeken studies hebben de gelovers ook moeite met redeneringen waar willekeur een rol in speelt. Eén studie vroeg proefpersonen bijvoorbeeld wat de meest waarschijnlijke uitkomst is als je een munt zes keer opgooit. Is dat (1) kop, kop, kop, kop, kop, kop, (2) kop, kop, kop, kop, munt, munt, 3) kop, munt, kop, kop, munt, munt, of 4) zijn alle drie die uitkomsten even waarschijnlijk? Dat soort vraag beantwoorden gelovers in het paranormale vaker fout dan sceptici.

Een ander punt is ‘voorwaardelijk redeneren’. “Daarbij moet iemand een conclusie trekken uit een voorwaardelijke uitspraak”, legt Dean uit. “Bijvoorbeeld: als het vandaag maandag is, dan moet ik naar mijn werk. De studies die wij bekeken, suggereren dat sceptici beter presteren in deze redeneertaken dan mensen die in het paranormale geloven.”

Bij verreweg de meeste eigenschappen die gelovers in het paranormale van sceptici zouden kunnen onderscheiden, spreken de studies elkaar echter tegen: de ene vindt wel een verband, de andere niet. “Dat is ook wel wat ik zou verwachten”, zegt French. “Redelijk consistent bewijs voor het vaker voorkomen van sommige cognitieve stoornissen onder gelovigen dan onder sceptici, mager of geen bewijs voor andere.”

Vooral studenten

Hoewel Dean en collega’s het grootste deel van de bekeken studies als ‘goed uitgevoerd’ beoordelen, stippen ze ook een aantal mankementen aan. Zo was meer dan twee derde van de proefpersonen student (vaak zelfs psychologiestudent). Het is dan altijd de vraag of de resultaten een goed beeld geven van de hele bevolking. Ook bespreken veel wetenschappers de beperkingen van hun onderzoek niet in het artikel dat ze erover hebben gepubliceerd.

Wel is de kwaliteit van de studies in de loop der decennia merkbaar toegenomen, constateren Dean en haar team. Dat is niet verrassend, zegt French. “De replicatiecrisis in de psychologie heeft ons veel bewuster gemaakt van twijfelachtige onderzoekspraktijken en hoe je die kunt vermijden.”

Bewegende voorwerpen

Zelf merkt French op dat veel van het onderzoek over dit onderwerp is gedaan door sceptische psychologen (zoals hijzelf) die zochten naar afwijkingen onder mensen die in het paranormale geloven. “Er is nauwelijks onderzoek gedaan naar de mogelijkheid dat sceptici ook last hebben van bepaalde cognitieve vertekeningen. Zouden die bijvoorbeeld de neiging hebben om wat ze met hun eigen ogen zien niet te geloven?”

Stel bijvoorbeeld dat je ze een voorwerp laat zien dat lijkt te bewegen doordat iemand er telekinetische krachten op uitoefent, vervolgt de psycholoog. “Het lijkt dan redelijk om te twijfelen of er wel echt sprake is van telekinese. Maar zouden sommige sceptici misschien ontkennen dat ze het voorwerp überhaupt hebben zien bewegen? Wie weet zouden dat soort onderzoeken een ander beeld schetsen dan deze nieuwe studie.”