Honderden miljoenen jaren geleden waren veel dieren op aarde groter dan nu. Zo ook twee oude amfibiesoorten, die wel wat op krokodillen leken. Uit hun sporen valt op te maken hoe deze megasalamanders eruit zagen.

De laatsten van deze zogenaamde Temnospondyli stierven uit tijdens het Krijt, ongeveer 120 miljoen jaar geleden, dat was al bekend. Maar hoe de prehistorische amfibieën eruitzagen en hoe zwaar ze waren, is moeilijk te bepalen, aangezien er bijna nooit sporen van de opbouw van de huid worden gevonden door paleontologen en volledig intacte fossielen ook erg zeldzaam zijn. Australische onderzoekers hebben nu een betere methode ontdekt om het gewicht van deze unieke uitgestorven dieren te schatten.

7 meter lange monsters
“Het schatten van de massa van uitgestorven dieren is een flinke uitdaging, omdat we ze niet zomaar kunnen wegen, zoals we zouden doen met een levend dier”, legt Lachlan Hart van de University of New South Wales uit. “We moeten het doen met de informatie die fossielen ons geven. Zo vormen we een beeld van hoe een dier eruitzag en vergelijken we ze met soortgelijke dieren die nu op de wereld rondlopen, zodat we een beter idee krijgen van de zachte weefsels, zoals vet en huid, van de prehistorische amfibieën.”

Temnospondyli zijn ‘heel vreemde beesten’ volgens Hart. “Sommigen groeiden uit tot enorme monsters van wel 6 of 7 meter lang. Ze transformeerden door een larvaal (kikkervisje) stadium net als de huidige amfibieën. Sommige anderen hadden zeer brede en ronde koppen, zoals de Australische Koolasuchus. Weer anderen, zoals de temnospondyli die we in deze studie onder de loep namen, hadden koppen die meer op krokodillen leken.”

260 kilogram
De 1,8 meter lange Eryops megacephalus leefde tijdens het Perm in wat nu de VS is, terwijl de iets langere Paracyclotosaurus davidi bekend is van Australische opgravingen uit het Trias-tijdperk. De Paracyclotosaurus was meer in het water te vinden en woog naar alle waarschijnlijkheid maar liefst 260 kilo. De oersalamander Eryops was met ‘slechts’ 160 kilo de lichtere van de twee.

“De grootte van een dier is belangrijk voor veel aspecten van hun leven”, zegt Hart. “Het heeft invloed op wat ze eten, hoe ze bewegen en zelfs hoe ze omgaan met koude temperaturen. Dus natuurlijk zijn paleontologen geïnteresseerd in het berekenen van de lichaamsmassa van uitgestorven wezens, zodat we meer te weten kunnen komen over hoe ze leefden.”

Groot aanpassingsvermogen
“Er zijn verschillende onderzoeken gedaan naar het lichaamsgewicht van andere uitgestorven dieren, zoals dinosaurussen, maar dit is nog nauwelijks gebeurd bij temnospondyli. Ze hebben twee van de vijf grote massa-extincties op aarde overleefd, en zijn daardoor een erg interessant studieobject. We zijn geïnteresseerd in de wijze waarop deze dieren zich hebben aangepast na deze wereldwijde catastrofes”, legt Hart uit.

Temnospondyli hebben geen directe levende verwanten en dus maakte het team een selectie van vijf hedendaagse ‘verre familieleden’, zoals de Chinese reuzensalamander en de zoutwaterkrokodil. Met behulp van deze soorten testten zij in totaal negentien verschillende technieken op bruikbaarheid voor het schatten van de lichaamsmassa van de oersalamanders.

Vergelijking met levende dieren
“We hebben verschillende methoden gevonden die ons consistent nauwkeurige schattingen gaven van de lichaamsmassa van onze vijf levende dieren. We hebben onder andere wiskundige vergelijkingen ingezet en driedimensionale digitale modellen van de dieren om dit te bewerkstelligen”, vertelt onderzoeker Nicolas Campione van de University of New England. “Onze veronderstelling was dat methodes die het gewicht van deze levende dieren nauwkeurig in kunnen schatten, ook geschikt zouden zijn voor gebruik bij temnospondyli.”

Zijn collega Matthew McCurry besluit: “Dit werk heeft aangetoond dat er meerdere methoden zijn om de massa van temnospondyli nauwkeurig in te schatten. We hebben hier niet het hele skelet voor nodig, omdat sommige methoden alleen de breedte van de schedel of de omtrek van de poten gebruiken. Onze bevindingen zijn erg nuttig voor paleontologen omdat veel fossielen incompleet zijn. We vinden vaak slechts een of twee delen van het skelet en daar moeten we het mee doen.”

Verschillen tussen reptielen en amfibieën
Reptielen en amfibieën zijn soms moeilijk uit elkaar te houden, zeker wanneer het gaat om fossielen. Amfibieën kunnen op land en in het water leven en zijn net als reptielen koudbloedig, oftewel niet in staat om hun temperatuur te reguleren. De huid van een amfibie heeft klieren om de huid vochtig te houden en is gladder en dunner, terwijl de reptielenhuid vaak geschubd is.

De eieren van amfibieën zijn zacht en kunnen alleen in het water gelegd worden. Een reptielenei heeft een harde schaal en is vochtig van binnen. Amfibieën ondergaan aan het begin van hun leven een metamorfose en de meeste soorten worden als larve geboren. Later ontwikkelen ze kieuwen en longen. Reptielen veranderen niet van gedaante.

Reptielen kunnen een lichaamsdeel terug laten groeien als dit is gesneuveld. Dit proces heet regeneratie. Dit kunnen amfibieën over het algemeen niet. Alleen de axolotl, een speciaal soort salamander, kan ledematen en zelfs organen terug laten groeien.

Er zijn zo’n 8200 amfibiesoorten beschreven, waaronder kikkers, padden, salamanders en wormsalamanders. Bekende reptielen zijn slangen, krokodillen, schildpadden en hagedissen. Er zijn meer dan 11.000 moderne reptielsoorten bekend.