Recent werd bekend dat in Europa vandaag de dag naar schatting 600 miljoen minder vogels rondvliegen dan in 1980. Maar hoe zit dat in Nederland?

Een internationaal team van onderzoekers boog zich onlangs over 378 van de 445 inheemse vogelsoorten in Europa. Gekeken werd hoe groot hun populaties op dit moment zijn en hoe dat zich verhoudt tot de populatie-omvang in 1980. De bevindingen zijn enigszins schokkend te noemen; volgens de onderzoekers is Europa in krap 40 jaar tijd zo’n 600 miljoen vogels kwijtgeraakt. En daarbij blijken opvallend genoeg vooral de populaties van veelvoorkomende soorten – zoals bijvoorbeeld de vrij bekende huismus en spreeuw – enorm te zijn gekelderd.

Toename
Het roept natuurlijk de vraag op hoe representatief de bevindingen voor ons land zijn. Heeft het aantal vogels hier ook zo’n duikvlucht genomen? Ruud Foppen, bijzonder hoogleraar geïntegreerde natuurbeschermingsbiologie aan de Radboud Universiteit en mede-auteur van het recent verschenen boek ‘Verschenen of verdwenen: ruim een eeuw Nederlandse broedvogels in beweging’, kan ons enigszins gerust stellen. “Als we voor iedere soort die hier voorkomt, gaan tellen hoeveel vogels er zijn en dat vervolgens vergelijken met wat we in de jaren vijftig zagen, dan moeten we concluderen dat het totale aantal vogels in de afgelopen 70 jaar juist is toegenomen.”

De nuance
Dat is goed nieuws. Maar het is – helaas – niet het hele verhaal. “We zien namelijk wel een groot verschil tussen habitats en dan met name wat ik het 2D- en 3D-landschap noem. Bij 2D-landschap moet je denken aan open landschap, zoals het boerenland, maar ook de heides, hoogvenen en de open duinen. Het 3D-landschap omvat bossen, moerassen en steden: gebieden die wat complexer en structuurrijker zijn.” En als we op beide typen inzoomen, worden er grote en bij vlagen dramatische verschillen zichtbaar. “Zo zien we in het 2D-landschap een enorme achteruitgang, echt in de orde van miljoenen vogels.” Dat het totale aantal vogels in Nederland desalniettemin nog altijd stijgt, is te danken aan wat er in het 3D-landschap gebeurt. “Daar neemt het aantal vogels toe. En dat compenseert tot op heden de afnames die we met name in het boerenlandschap zien.”

Dat veel vogels worstelen op het boerenland komt niet doordat het steeds zeldzamer wordt; boerenland is in Nederland verantwoordelijk voor zo’n tweederde van het landgebruik en dus nog altijd goed vertegenwoordigd. Wel wordt het boerenland steeds ‘armer’: het heeft broedvogels door schaalvergroting, intensief gebruik, verdroging, zware stikstofbelasting en gebruik van pesticiden veel minder te bieden dan vroeger.

De klapekster komt in Nederland niet meer voor. Afbeelding: Smudge 9000 (via Wikimedia Commons).

Verdwenen soorten
En zo is het aantal vogels in Nederland dus aan grote verandering onderhevig. Maar ook op soortniveau is het nooit saai. Alleen al in de afgelopen eeuw is Nederland zo’n 12 soorten kwijtgeraakt. Onder hen bevinden zich de hop, de griel, de klapekster, bonte kraai, duinpieper en kuifleeuwerik. De exacte redenen voor hun Nederlands uitsterven lopen uiteen, maar hangen bijna altijd samen met de grote veranderingen die het Nederlands landschap sinds 1900 heeft ondergaan. Naast de verschraling van het boerenland kun je dan ook denken aan degradatie van hoogvenen en intensievere recreatie in duingebieden.

De zeearend is sinds kort in Nederland te vinden. Hier zie je het eerste jong dat op Nederlandse bodem uit het ei kroop. Afbeelding: Staatsbosbeheer / Vincent Wigbels (via Wikimedia Commons).

Verschenen soorten
Maar er zijn niet alleen vogelsoorten verdwenen; sinds 1900 zijn er ook behoorlijk wat nieuwe soort verschenen. Zo vestigde de oehoe zich in 1997 in ons land. De zeearend volgde in 2006, het nonnetje in 2010. En ook de bijeneter en kraanvogel voelen zich hier inmiddels thuis. In totaal zijn er zo sinds 1900 49 vogelsoorten in Nederland bijgekomen. De exoten – door mensen veelal per ongeluk geïntroduceerde soorten, zoals de halsbandparkiet, huiskraai en kolgans – nog even buiten beschouwing gelaten.

Wie de balans opmaakt – 12 verdwenen soorten tegenover 49 verschenen soorten – zou kunnen concluderen dat het met de vogeldiversiteit wel snor zit. Maar Foppen maant ons voorzichtig te zijn met dergelijke conclusies. “Als je alleen naar soorten kijkt, telt een soort die slechts uit een paar individuen bestaat, net zo zwaar mee als een soort die miljoenen individuen omvat. Maar vanuit het oogpunt van diversiteit stelt zo’n soort met een handjevol individuen natuurlijk niet zoveel voor.” Daar komt nog eens bij dat ook de wijze waarop soorten het stempel ‘verdwenen’ of ‘verschenen’ opgedrukt krijgen, gekenmerkt wordt door een lichte bias voor nieuwkomers. “Het proces van een kolonisatie, het nieuw verschijnen van een soort, gaat doorgaans sneller dan het totaal verdwijnen van een soort. Het verspreidingsgebied van bijvoorbeeld de zeearend heeft zich naar het westen uitgebreid, individuen komen vanuit het oosten deze kant op en vestigen zich. En dat kan vrij snel gaan. Bij het uitsterven gaat dat niet zo; vogels trekken niet weg. Er vallen gaten in de verspreiding door bijvoorbeeld een slecht broedsucces of hoge sterfte. Omdat dit deels een toevalsproces is, maar ook omdat beschermingsmaatregelen worden getroffen om de laatste paren te redden kan het veel langer duren voordat een soort definitief uit ons land is verdwenen.”

Dat tientallen soorten zich de afgelopen decennia in Nederland gevestigd hebben, is volgens Foppen deels te herleiden naar internationale natuurbeschermingsmaatregelen. “En dan met name Natura 2000, dat ertoe geleid heeft dat veel landen kwetsbare gebieden zijn gaan beschermen en de vervolging of bejaging van dieren hebben teruggedrongen. Je ziet dat bijvoorbeeld roof- en watervogels daar heel sterk op hebben gereageerd en hun leefgebied steeds verder hebben uitgebreid. Je zag soorten zoals de zeearend, de visarend en grote zilverreiger letterlijk steeds verder deze kant opkomen!” Het bewijst dat natuurbescherming ook met het oog op vogels resultaat heeft. “Nu moet je wel concluderen dat dit deels laaghangend fruit was. Het betrof vogelsoorten die bedreigd werden door een duidelijk bekend en goed op te lossen knelpunt. Dan is een betere bescherming door af te spreken ze niet meer te bejagen of vervolgen natuurlijk vrij eenvoudig. Maar goed, het heeft gewerkt.” En we hebben er een paar fraaie nieuwkomers aan overgehouden. Maar de teloorgang van de boerenlandvogels is er niet mee opgelost. “Dat vereist een grootschalige verandering in landgebruik, eigenlijk een grootschalige transitie. En dat is een stuk lastiger. Maar zolang we die transitie niet maken, zal het heel slecht blijven gaan met de boerenlandvogels.”

Lichtpuntje
Dat vogels het in stedelijke gebieden en bossen op dit moment goed doen, is een lichtpuntje. Maar het flikkert. “Waar in de zestiger en zeventiger jaren hard aan de vergroening van de stad werd gewerkt, zien we nu het tegenovergestelde gebeuren. Er vindt een enorme verstening plaats en dat werkt vogels tegen.” En ook in de bosrijke gebieden in met name het oosten van Nederland staan nadelige veranderingen op stapel. “Een slechte kwaliteit van de bomen, vooral veroorzaakt door het stikstofprobleem, bedreigt de bossen op bijvoorbeeld de Veluwe en in Drenthe. Daar gaan we de komende periode vreemde taferelen zien die uiteindelijk – in afwezigheid van effectieve maatregelen en het oplossen van het stikstofprobleem – zullen uitmonden in de teloorgang van die bossen. De eerste tekenen daarvan zien we nu al, net als de gevolgen daarvan voor vogels.”

Klimaatverandering
Landgebruik en veranderingen daarin hebben een enorme impact op vogels. Maar ook klimaatverandering heeft een – nu nog kleine – invloed op de vogels in ons land. “Zo zien we bepaalde soorten vanuit het zuiden oprukken en hier overleven dankzij mildere winters.” Welke soorten in de toekomst door toedoen van klimaatverandering (verder) in het nauw komen of zich door de opwarming van de aarde juist in Nederland gaan vestigen, is lastig te voorspellen. “Het is niet zo dat we straks een Frans klimaat krijgen. In plaats daarvan voorspellen klimaatmodellen dat ons klimaat straks gekenmerkt wordt door aspecten van bijvoorbeeld het Franse, Duitse en Engelse klimaat.” En daarmee kunnen we ons toekomstige klimaat eigenlijk met geen enkel bestaand klimaat vergelijken. “Het is iets heel nieuws en we weten niet hoe soorten daarop gaan reageren. Maar dat er ook binnen de vogelsoorten en -populaties iets gaat veranderen, staat vast.”

Wat we over 50 jaar precies in de Nederlandse luchten gaan aantreffen en in welke aantallen, daar laat Foppen zich niet over uit. Want als de hoogleraar in de afgelopen decennia één ding geleerd heeft, dan is het wel dat het veelal onmogelijk is om te voorspellen hoe het vogelsoorten en -populaties in de toekomst zal vergaan. “In één vogelaarsleven kan er al gigantisch veel veranderen,” aldus Foppen. Hij spreekt uit ervaring. “Toen ik als jongetje vogels keek, zag de wereld er heel anders uit dan nu. Als je toen voorspeld had wat ik nu – als ik op dezelfde plekken rondkijk – zie, had ik je niet geloofd. Neem bijvoorbeeld de grauwe klauwieren. Toen ik als jongetje vogels spotte, namen hun aantallen enorm af en niet lang daarna stond de soort als zeldzaam te boek. En nu zien we dat deze zich opeens herstelt en niet zo’n klein beetje ook. Of de nachtzwaluw, die veel op de heide leeft. Alle vogels op de heide hebben het moeilijk, dus werd verwacht dat ook deze soort het lastig zou krijgen, maar we zien het aantal nachtzwaluwen nu juist toenemen. Nog zo’n voorbeeld: de veldleeuwerik.” Vroeger was dat een makkelijke soort die zich overal wel thuis voelde en waar niemand zich zorgen over maakte. “En nu is de soort zeldzaam!” Of de kievit die zich in de jaren tachtig thuis ging voelen op akkers en wijdverspreid voorkwam. “De soort leek – na de natte graslanden waarin deze oorspronkelijk graag vertoefde – een nieuwe niche te hebben gevonden. Maar nu blijkt de vogel het niet langer te redden op de akkers. En gek genoeg ook niet meer in zijn oorspronkelijke leefomgeving, op die natte graslanden.” Tegelijkertijd kunnen Nederlandse vogelaars zich anno 2021 ook weer vergapen aan soorten waarvan het leefgebied slechts enkele decennia geleden nog honderden kilometers van de Nederlandse grens verwijderd was en waarvan nooit verwacht werd dat ze zich hier thuis zouden kunnen voelen. “En zo blijven vogels ons verrassen.”