Niet voor niets heten de middeleeuwen ook wel de donkere eeuwen, verwijzend naar een duistere periode met modder, stank en ziektes. Maar waren de middeleeuwen wel echt zo vies? Recent onderzoek van historica Janna Coomans laat zien dat middeleeuwers zich wel degelijk druk maakten over hun vieze steden.
Middeleeuwse mensen vertelden vaak het verhaal van Joris en de Draak, over een draak die met zijn stinkende adem de stad ziek maakte en daarmee zelfs mensen kon doden. Om de draak tevreden te stellen, offerden de mensen elke dag twee schapen. Gelukkig doodde Sint Joris de draak, waardoor die niet langer de stad teisterde met zijn vieze adem. Het verhaal van Joris en de Draak werd jaarlijks verteld met de moraal: pas maar op voor slechte lucht, want dat kan leiden tot de dood. In de middeleeuwen waren ze altijd op hun hoede voor slechte luchtkwaliteit: een stinkende put of sloot was een gigantisch gevaar voor de gezondheid en dat wisten ze maar al te goed.
Historisch onderzoek
Janna Coomans doet onderzoek naar de leefwereld van de middeleeuwen. Lang werd gedacht dat hygiënemaatregelen pas getroffen werden na de uitbraak van de pest. Uit Coomans onderzoek blijkt echter dat de middeleeuwers al veel langer bezig waren met het schoonhouden van de stad. Daarvoor onderzocht ze de hygiënemaatregelen in Deventer, Leiden en Gent. Als bron bestudeerde ze wetboeken, ordonnanties en financiële rekeningen, waarin stadsmaatregelen werden aangekondigd of mensen werden veroordeeld die de regels overtraden. En dat zijn er enorm veel: middeleeuwers maakten constant ruzie over de schoonheid van hun stad. In Deventer maakten drie buren ruzie over een steegje van de gemeente dat belangrijk was als doorgang. Een stel had een deur weggehaald en liet hun water door de steeg lopen, waardoor de steeg vies werd en het water bleef staan. Hierdoor was de weg ‘bedorven’, het water stroomde niet meer weg. Dat leidde tot een rechtszaak, die Coomans als bron kon bestuderen.
Galenisch wereldbeeld
Om te begrijpen waarom middeleeuwers allerlei maatregelen troffen, is het goed om te weten dat ze in de middeleeuwen heel anders dachten over geneeskunde. Er was nog geen kennis over bacteriën en men wist nog weinig van de binnenkant van het menselijk lichaam. De kennis die er was, kwam van Galenus, een Griekse arts die leefde in de tweede eeuw na Christus. Volgens Galenus bestaat het menselijk lichaam uit vier humoren: bloed (warm en vochtig, verbonden met lucht en een vrolijk karakter), slijm (koud en vochtig, verbonden met water en een rustig karakter), gele gal (warm en droog, verbonden met vuur en een driftig karakter) en zwarte gal (koud en droog, verbonden met aarde en een somber karakter). Als je gezond was, waren deze eigenschappen in balans. Deze eigenschappen konden echter ook uit balans raken door externe factoren zoals luchtkwaliteit, voeding en drank. Dat leidde vervolgens tot ziektes of zelfs de dood.
Galenus was een Griekse arts en filosoof die leefde van ongeveer 129 tot 216 na Christus. Hij werkte vooral in het Romeinse Rijk en was één van de invloedrijkste medische denkers uit de oudheid. Galenus bouwde voort op ideeën van Hippocrates, zoals de leer van de vier humoren. Zijn opvattingen over het menselijk lichaam, ziekte en geneeskunde bleven in Europa en het Midden-Oosten meer dan duizend jaar lang bepalend.
Maatregelen
Om de humoren in balans te houden, werden er diverse maatregelen genomen om steden schoon te houden. Zo bouwden stedelingen huizen vaak van oost naar west zodat de reinigende wind er doorheen kon waaien. Speciale ‘slijkmeesters’, een soort middeleeuwse vuilnismannen, haalden je afval op zodat het niet op straat bleef rotten. Voor menselijke uitwerpselen was een beerput, die ook ver genoeg van je huis moest staan zodat die niet de lucht bedierf. Ook investeerden rijke stedelingen in stenen straten met drainage. Die waren beter schoon te houden dan onbestrate modderpoelen. Zo bleef water niet onnodig stilstaan, wat belangrijk was: stilstaand water creëerde volgens de middeleeuwers Miasma: een slechte, bedorven lucht die ziekten zou veroorzaken als mensen het inademden. Een vieze modderpoel was dus een bron van zorgen, want het werd direct gelinkt aan ziektes.
Eten en drinken
Naast de slechte lucht van water, was het behoud van waterkwaliteit essentieel. Het innemen van bedorven water of voedsel was een grote bron van verstoring van de humoren. Daarom dronken veel stedelingen water uit putten met gezond water of sloegen ze regenwater op met pijpen. Als het water niet zo goed rook, kookten ze het van tevoren. Ook was de voedselkwaliteit belangrijk voor een gezond leven: op de markt liepen speciale marktmeesters rond die de kwaliteit van het eten controleerden. Was het eten bedorven, dan moest het absoluut verwijderd worden. Alleen al de slechte lucht kon zorgen voor de disbalans van de humoren. Daarom werden ook markten op een strategische plaats gezet, zodat de vislucht niet de kant van de huizen op waaide.
Was het dan echt zo schoon?
Al deze maatregelen werden natuurlijk niet voor niets genomen: steden in de middeleeuwen stonden wel degelijk voor grote uitdagingen als het ging om hygiëne. Er heersten veel ziektes en het was waarschijnlijk ook niet brandschoon. Maar, aldus Coomans: “Net zoals een samenleving met strenge regels tegen moord niet automatisch gewelddadig is, betekent de grote hoeveelheid regels of hygiënemaatregelen in Nederlandse steden niet dat ze tot helemaal niks leidden.” Dat de middeleeuwen een gore bende waren, is dus ook niet helemaal waar. Of in ieder geval gingen ze echt niet bewust door de modder rollen of hun afval op straat gooien. Voor je het wist kreeg je dan een boete of een rechtszaak op je dak.


