Waarom is de natuur zo groen? Wie goed kijkt, bedoelt daarmee meestal: waarom zijn planten groen? Het antwoord zit in chlorofyl, het pigment waarmee planten energie uit zonlicht halen. Diederik legt in deze video uit hoe dit zit.
Je kunt chlorofyl zien als een soort antenne voor licht. Zonlicht lijkt wit, maar bestaat uit allerlei kleuren door elkaar. Rood, groen en blauw licht hebben allemaal een andere hoeveelheid energie. Rood licht bevat relatief weinig energie, blauw licht juist veel. Chlorofyl kan vooral rood en blauw licht goed opvangen. Dat licht gebruikt de plant voor fotosynthese, het proces waarmee hij energie maakt.
Groen licht is de opvallende uitzondering. Daar doet chlorofyl veel minder mee. Het wordt grotendeels teruggekaatst, en precies dát teruggekaatste licht zien wij. Planten zijn dus groen omdat ze groen licht juist niet goed gebruiken.
Waarom planten dat zo doen, is niet helemaal duidelijk. Er is op aarde meestal genoeg licht beschikbaar, en te veel energie opnemen kan zelfs schadelijk zijn. Toen chlorofyl eenmaal goed werkte, was er waarschijnlijk weinig evolutionaire druk om dat systeem te veranderen.
Toch zijn er uitzonderingen. Sommige algen, wieren en onderwaterplanten gebruiken andere pigmenten, vooral op plekken waar rood en blauw licht nauwelijks doordringen. Planten passen zich dus aan aan het licht dat ze kunnen pakken.



