Diederik legt uit waarom dat niet handig is.
Waarom zetten we windmolens eigenlijk niet dichter op elkaar? De vraag duikt regelmatig op, bijvoorbeeld op TikTok, en het antwoord is vooral: omdat windmolens elkaars opbrengst kunnen wegvagen.
Een turbine maakt elektriciteit door energie uit de wind te halen. Daarbij tapt hij vooral de snelheid van de luchtstroom af. Achter de molen blijft de wind daardoor langzamer en veel turbulenter achter. Die verstoorde lucht vormt een soort kronkelende ‘staart’, een wake. In zo’n wake zit simpelweg minder bruikbare energie, want een deel is net omgezet in stroom.
Rommelige wind
Plaats je een tweede turbine pal achter de eerste, dan krijgt die minder en rommeligere wind binnen. Het gevolg is dat de opbrengst tientallen procenten lager kan uitvallen, terwijl slijtage door extra turbulentie juist kan toenemen. Dat is funest voor de economie van een windpark.
Daarom staan windmolens op afstand. Een veelgebruikte richtlijn is ongeveer vijf keer de rotordiameter in de windrichting. Bij moderne turbines kan dat oplopen tot rond een kilometer.
Wind ‘herstelt’ ook
De wind ‘herstelt’ pas verderop. Lucht van boven en van de zijkanten mengt zich geleidelijk terug in de wake, waardoor de stroming weer op snelheid komt. Zo krijgt de volgende turbine weer iets om mee te werken, zonder dat buren elkaars energie opeten.



