Waarom vinden paleontologen vooral losse kaakbeenderen en wervels als het gaat om fossielen van hagedissen en slangen? Een nieuw onderzoek, verschenen in Paleobiology, zet het antwoord scherp neer: de “compleetheid” van schubreptielfossielen (de reptielengroep met hagedissen, slangen en ook mosasauriërs) wordt vooral bepaald door hoe stevig de botten zijn én in welke omgeving het dier is gestorven.
De onderzoekers spreken van een ‘megafilter’-bias: processen en factoren die een buitensporige grote invloed hebben op wat uiteindelijk in het fossielenbestand belandt. In zee gevonden mosasauriërs zijn bijvoorbeeld gemiddeld veel completer; slangen, die vrijwel overal voorkomen, zijn doorgaans juist sterk incompleet.
“Schubreptielen zijn superaanpasbaar, wijdverspreid en ongelooflijk divers door hun hele evolutionaire geschiedenis,” zegt hoofdonderzoeker Hank Woolley van het Dinosaur Institute. “Toch laat onze nieuwe studie zien dat de meeste fossiele soorten van schubreptielen bestaan uit onvolledig en fragmentarisch skeletmateriaal: losse kaakbeenderen en wervels. Begrijpen waarom dat op wereldschaal gebeurt is een eerste, cruciale stap om door de biases heen te prikken.”
Hobby
Om die biases te doorgronden dook Woolley gemoderniseerde museumcollecties met grote open databases in. Daarnaast heeft hij – als ‘hobby’ tijdens de coronapandemie- handmatig zoveel mogelijk literatuur onderzocht. De Paleobiology Database bracht duizenden vondsten samen; de onderzoeker las vervolgens vrijwel elk relevant artikel om per soort bot-voor-bot te scoren hoe compleet het materiaal is, en die scores te koppelen aan de begravingsomgeving (rivier, meer, woestijn of open oceaan). “Ik denk dat het bijna 500 artikelen zijn,” zegt Woolley over zijn pandemieproject. “Het was de enige manier om elk beschreven bot na te lopen en het mee te tellen voor wat we weten over de compleetheid van een schubreptielsoort.”
Uit de analyse komt een consistent patroon naar voren. Grotere, dichtere en gefuseerde botten doorstaan de tand des tijds beter. Daarnaast doet de omgeving ertoe: mariene omgevingen blijken vaker gunstig voor de bewaring van complete skeletten, wat verklaart waarom mosasauriërs gemiddeld zo compleet zijn. Slangen, met hun kwetsbaardere bouw en wijdverspreide leefgebieden, raken juist sneller gefragmenteerd in het fossielenarchief. Het gevolg: het wereldwijde schubreptielenbestand is overwegend incompleet; de meeste soorten bewaren minder dan 20% van hun waarneembare skeletkenmerken.
Interpretatie
Die uitkomst is meer dan een methodische voetnoot. Ze kleurt de interpretatie van 240 miljoen jaar evolutie. Dat helpt vooral bij het beantwoorden van lastige vraagstukken. “Paleontologen zijn het er niet over eens waar mosasauriërs thuishoren in de stamboom van schubreptielen,” zegt Woolley. “Sommige onderzoekers denken dat ze verwant zijn aan slangen, anderen aan varanen, en weer andere hypothesen plaatsen ze op een heel andere tak.” Als andere schubreptielgroepen systematisch incompleet zijn, kan dat de schijn wekken dat mosasauriërs een uitzonderingspositie hebben—terwijl het eigenlijk vooral een indelingsvraagstuk is.
De studie illustreert ook de kracht van gedigitaliseerde collecties voor “big-picture”-vragen. Co-auteur Nathan Smith, directeur en curator van het Dinosaur Institute, plaatst het in historisch perspectief: “Deze studie is een geweldig voorbeeld van hoe de nieuwe generatie paleontologen digitale bronnen zoals de Paleobiology Database benut om grote vragen te beantwoorden over bias en datakwaliteit in het fossielenbestand. Darwin zelf wijdde een heel hoofdstuk van On the Origin of Species aan de imperfectie van het fossielenarchief—maar Hank’s werk helpt die biases eindelijk te onthullen.”
Belangrijk is dat fragmenten niet waardeloos zijn—mits je de context kent. “Als we deze biases niet in kaart brengen lopen we het risico echte informatie over het hoofd te zien die in onvolledige fossielen verborgen zit,” besluit Woolley. “Door dit soort gedetailleerde datasets verder op te bouwen leren we beter hoe natuurlijke processen—én onze eigen onderzoeksmethoden—het beeld van de paleontologie vormen.” Met andere woorden: weten wat er ontbreekt, maakt wat er wél ligt ineens stukken interessanter.
Luister ook naar de Scientias Podcast:


