Oxytocine, ook wel het knuffelhormoon genoemd, helpt ons om sociaal te zijn. Je zou dus misschien denken dat mensen met autisme baat hebben bij een portie extra oxytocine, maar het ligt een stuk complexer, ontdekten onderzoekers van Yale.
Ze richtten zich op de basolaterale amygdala (BLA) en de anterieure cingulate cortex (ACC), omdat deze hersengebieden beloning verwerken en informatie integreren tijdens sociale besluitvorming. Een hele mond vol, maar het komt er in feite op neer dat de BLA en de ACC een cruciale rol spelen bij de verwerking en regulering van emoties.
De onderzoekers besloten direct oxytocine in de BLA toe te dienen bij resusapen. Maar gek genoeg had dit niet bij alle apen hetzelfde effect. De dieren die van tevoren al in een sociale bui waren, gingen zich door de oxytocine nog socialer gedragen. Maar bij op dat moment minder sociale apen had de oxytocine weinig effect.
Alleen als je in een sociale bui bent
Dat was ook in de hersenen terug te zien: de oxytocine verhoogde alleen de activiteit in de BLA en ACC als de apen sociaal gemotiveerd waren, zoals de onderzoekers het noemen. De activiteit in de BLA en ACC was bovendien beter gecoördineerd tijdens langere sociale situaties, wat suggereert dat oxytocine de communicatie in dit netwerk kan stabiliseren om sociaal gedrag in stand te houden. “De BLA en ACC zijn belangrijke knooppunten voor de verwerking van sociale informatie: de BLA evalueert de relevantie en emotionele waarde van sociale signalen, terwijl de ACC informatie over anderen codeert en integreert in beslissingen”, vertelt eerste auteur van de studie, Olivia Meisner, aan Scientias.nl.
“Eerder onderzoek toonde al aan dat de synchronisatie tussen deze sterk verbonden hersengebieden toeneemt tijdens prosociaal gedrag, vergeleken met antisociaal gedrag. Ook is bekend dat oxytocine sociaal gedrag beïnvloedt via veranderingen in de amygdala-activiteit, terwijl andere studies de ACC betrekken bij de effecten van oxytocine op prosociale besluitvorming. In ons onderzoek werden de tweerichtingssignalen tussen BLA en ACC versterkt, zowel tijdens sociaal gemotiveerde toestanden als na oxytocine-toediening in de BLA, waardoor het netwerk als het ware werd “afgestemd” op prosociale keuzes”, aldus Meisner.
Context is belangrijk
Wat dit precies betekent, legt de Yale-onderzoeker verder uit: “Onze gegevens laten zien dat oxytocine vooral effectief is in het versterken van bestaande sociale motivatie, in plaats van dit vanaf nul te creëren. Bij mensen zou dit kunnen betekenen dat oxytocine het meest baat heeft in situaties waar sociale motivatie al aanwezig is, zoals in een vertrouwde omgeving of bij interactie met bekende mensen. Als de sociale motivatie laag is, bijvoorbeeld bij sociale terugtrekking of wantrouwen, zal oxytocine weinig effect hebben. Dit sluit aan bij eerdere studies die laten zien dat de gedragsmatige effecten van oxytocine vaak afhangen van de context, eerdere sociale ervaringen en individuele persoonlijkheid.”
Het betekent dat zelfs binnen één individu de effectiviteit van een oxytocinebehandeling. varieert, afhankelijk van de sociale bui of de context. Daarom is het belangrijk om bijvoorbeeld bij mensen met autisme een persoonlijk behandelplan te maken, want op dit moment werkt het bij de een wel en bij de ander niet. “Dat komt vooral door de enorme heterogeniteit van ASS (autismespectrumstoornis) op biologisch, fysiologisch en gedragsmatig niveau”, aldus Meisner. “ASS is geen uniforme aandoening; oorzaken en onderliggende hersenmechanismen verschillen sterk tussen mensen. De effecten van oxytocine voegen daar nog een extra laag variabiliteit aan toe. Zoals we in deze studie zagen, kan de reactie op oxytocine zelfs binnen één persoon verschillen, afhankelijk van de interne toestand op dat moment. Op andere dagen kan dezelfde persoon anders reageren door subtiele veranderingen in gedrag of fysiologie. Als je deze variatie binnen personen optelt bij de grote verschillen tussen personen met ASS, wordt duidelijk waarom een uniforme aanpak weinig kans van slagen heeft. Dit onderstreept de noodzaak om te bepalen onder welke omstandigheden en bij welke individuele factoren oxytocine het meest effectief is.”
Beter onderzoek nodig
In vervolgonderzoek gaan de onderzoekers daar verder naar kijken. “We werken aan meerdere onderzoeksrichtingen. Een daarvan richt zich op het ontwikkelen van methoden om natuurlijkere, interactieve sociale interacties te bestuderen, in plaats van de gecontroleerde, individuele besluitvorming uit deze studie. In dit werk voeren apen coöperatieve taken uit, waarbij ze moeten samenwerken om gelijktijdig hendels over te halen om een beloning te verdienen. Deze taak vereist geavanceerde cognitieve processen: ze moeten het gedrag van hun partner volgen, diens waarschijnlijke acties en doelen voorspellen en die informatie integreren met hun eigen acties en doelen. Dergelijke processen raken vaak verstoord bij sociale stoornissen, dus inzicht in de neurale mechanismen die hieraan ten grondslag liggen, kan waardevolle aanknopingspunten bieden voor toekomstige behandelingen.”


