Waarom het invasieve manenschaap zo gevaarlijk is voor dikhoornschapen

Een invasieve schapensoort kan makkelijk een dodelijke bacterie verspreiden onder de dikhoornschapen van Texas.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief! Ook elke dag vers het laatste wetenschapsnieuws in je inbox? Of elke week? Schrijf je hier in voor de nieuwsbrief!

Het manenschaap lijkt een belangrijk reservoir te zijn voor ziekteverwekkers die een longontsteking veroorzaken bij dikhoornschapen. Dat blijkt uit een nieuw onderzoek van Texas A&M University en de Texas Parks and Wildlife Department. Tijdens een experiment waarbij besmette manenschapen tussen dikhoornschapen rondliepen stierf 80 procent van de dikhoornschapen naderhand aan een longontsteking. De manenschapen werden zelf echter nauwelijks ziek. Het onderzoek is te vinden in Scientific Reports.

Dodelijk contact

Het manenschaap komt oorspronkelijk uit Noord-Afrika en werd tientallen jaren geleden naar Texas gebracht. Inmiddels leven er grote groepen in delen van de staat. Daar delen ze hun leefgebied met het inheemse dikhoornschaap. Natuurbeheerders vrezen al langer dat de invasieve dieren ziekten over kunnen dragen. Tot nu toe was echter niet duidelijk hoe groot dat risico precies was.

Leestip: 4000 jaar oude pestbacterie in schapenbotten werpt nieuw licht op verspreiding

“Het experiment liet zien hoe dodelijk het contact tussen manenschapen en dikhoornschapen kan zijn”, zegt hoofdonderzoeker Logan Thomas. “We zagen ook dat sommige manenschapen mogelijk een groter gevaar vormen dan andere. Bovendien dragen verschillende populaties manenschapen andere varianten van de ziekteverwekker met zich mee.”

Grote uitbraken

De onderzoekers richtten zich vooral op de bacterie Mycoplasma ovipneumoniae. Deze bacterie tast de luchtwegen aan en speelt een belangrijke rol in het veroorzaken van een longontsteking bij dikhoornschapen. Ook keken ze naar een groep andere bacteriën die de ziekte ernstiger kunnen maken. Samen kunnen deze ziekteverwekkers grote uitbraken veroorzaken: hele kuddes kunnen ernstig ziek worden en uiteindelijk sterven.

Voor het experiment besmetten de onderzoekers twaalf manenschapen met een of meer ziekteverwekkers. Daarna werden de dieren in verblijven geplaatst die naast de verblijven van dikhoornschapen stonden. Daarbij deelden sommige verblijven een waterbak. Later werden enkele dieren ook rechtstreeks bij elkaar gezet. De onderzoekers namen regelmatig monsters uit de neus en keel van beide schapensoorten. Als een dier kwam te overlijden bekeken ze naderhand ook het longweefsel.

De gevolgen voor de dikhoornschapen waren groot: naderhand stierf 80 procent van deze groep aan een longontsteking. De manenschapen leken echter nauwelijks last te hebben van de bacteriën. Ondanks het feit dat ze weinig klachten vertoonden bleven ze de bacterie echter wel lange tijd verspreiding: bij één dier werd het DNA van de ziekteverwekker 171 dagen na de besmetting nog steeds aangetroffen.

Extreem gevaarlijk

Volgens de onderzoekers maakt dat verschil het manenschaap extreem gevaarlijk. Thomas zegt: “als een dikhoornschaap ziek is valt dat op, maar een besmet manenschaap kan er nog steeds gezond uitzien. Ondanks dat kan zo’n dier de bacterie toch nog heel lang blijven verspreiden. Daarom moeten we uit voorzorg ieder manenschaap dat voorkomt in het leefgebied van dikhoornschapen als een groot risico zien.”

De onderzoekers bekeken ook hoe vaak de bacterie in het wild voorkomt. Ze onderzochten 351 wilde manenschapen die afkomstig zijn uit twaalf berggebieden in Texas. Bij 9,4 procent vonden ze het DNA van Mycoplasma ovipneumoniae in de neus en ruim 55 procent had antistoffen in het bloed zitten. Dat betekent dus dat meer dan de helft van de onderzochte dieren eerder met de bacterie in aanraking was geweest.

Er waren echter wel duidelijke verschillen tussen de gebieden. In sommige populaties kwam de bacterie M. ovipneumoniae veel vaker voor dan in andere. Ook vonden de onderzoekers meerdere varianten van de ziekteverwekker en droegen jonge manenschapen de bacterie vaker bij zich dan volwassen dieren: bij jonge dieren werd het bacteriële DNA bijna negen keer zo vaak gevonden.

Beschadigde afscheiding

Het experiment kent wel beperkingen. Zo raakte tijdens het onderzoek een afscheiding tussen twee verblijven beschadigd. Daardoor kan een besmetting via de lucht niet volledig worden uitgesloten. Ook is niet zeker of het gedeelde drinkwater de belangrijkste bron van besmetting was. De onderzoekers kunnen daarom nog niet precies zeggen hoe de ziekteverwekkers van het ene dier naar het andere gingen. Wel laat de studie zien dat rechtstreeks contact niet altijd nodig lijkt te zijn.

De resultaten hebben al gevolgen voor het natuurbeheer in Texas. “Dit onderzoek heeft veranderd hoe de Texas Parks and Wildlife Department dikhoornschapen beheert”, zegt onderzoeker Walter Cook. Zo werden onlangs meer dan zeventig gezonde dikhoornschapen verplaatst naar het Franklin Mountains State Park. De kans dat manenschapen dat gebied bereiken is volgens het team niet erg groot.

Volgens de onderzoekers is grondige surveillance hard nodig. Volgens hen zouden natuurbeheerders precies moeten weten waar besmette manenschapen leven, welke varianten zij dragen en waar contact met dikhoornschapen kan ontstaan. Gedeelde waterbronnen verdienen daarbij extra aandacht.

We schreven vaker over dit onderwerp, lees bijvoorbeeld ook Wolven zijn bang voor mensen – maar niet genoeg om een lonkend schaap te weerstaan en DNA van 1600 jaar oud gemummificeerd schaap in kaart gebracht . Of lees dit artikel: Schaapjes tellen: voor sommige mensen is het door een zeldzame afwijking gewoonweg onmogelijk .

Uitgelezen? Luister ook eens naar de Scientias Podcast:

Bronmateriaal

Fout gevonden?

Voor jou geselecteerd