Het idee dat vroegmiddeleeuwse heersers dagelijks plaatsnamen aan met vlees afgeladen eettafels kan de prullenbak in, zo stellen Britse historici nadat ze het dieet van Angelsaksische mensen onder de loep hebben genomen.

Wie zich – met een beetje inbeeldingsvermogen – verplaatst naar de eetzaal van een vroegmiddeleeuwse vorst of landheer in het hedendaagse Groot-Brittannië, ziet al snel een lange en rijkelijk gevulde eettafel voor zich. En we zijn dan sterk geneigd die denkbeeldige eettafel vol te laden met grote stukken vlees. Niet doen, zo stellen historici in het blad Anglo-Saxon England. Mensen in het vroegmiddeleeuwse Engeland aten slechts weinig vlees. En er is geen enkel bewijs dat edelen in die tijd aanzienlijk meer vlees aten dan de ‘gewone’ mensen.

Verrassing
Het zijn ook voor de historici toch wel verrassende bevindingen, zo vertelt onderzoekers Tom Lambert aan Scientias.nl. “De aanname dat koningen en de elite heel veel vlees aten is niet alleen iets uit de populaire cultuur, het is ingebed in de manier waarop historici het vroegmiddeleeuwse koningschap sinds de negentiende eeuw beschouwen.”

Het onderzoek
Dat de werkelijkheid anders is, bleek toen onderzoeker Sam Leggett de botten van 2023 mensen die tussen de vijfde en elfde eeuw leefden, bestudeerde. Ze keek daarbij specifiek naar stikstofisotopen. “Kortgezegd reflecteren die isotopen in jouw botten jouw positie in de voedselketen en daarmee geven ze een vrij goed beeld van de hoeveelheid dierlijke eiwitten die je consumeert,” legt Lambert uit. “Isotopenanalyse werkt volgens het principe ‘je bent wat je eet,'” voegt onderzoeker Sam Leggett toe. “Het voedsel en drinken dat je consumeert heeft – afhankelijk van waar het van afkomstig is en welke plek het in de voedselketen heeft – verschillende chemische waarden. Zo hebben planten een lagere stikstofwaarde dan schapen en koeien en als wij die dieren eten, hebben we weer hogere stikstofwaarden in onze botten dan die dieren zelf hebben. Dat die waarden af te lezen zijn in onze botten, komt doordat onze lichamen ons voedsel gebruiken om reparaties uit te voeren aan botten, spieren, etc.”

“Voor de studie vergeleek ik de isotoopwaarden in menselijke botten met de isotoopwaarden in de botten van dieren die gelijktijdig met deze mensen leefden, om zo na te gaan hoeveel hoger in de voedselketen deze mensen zich bevonden. Ik ontdekte dat de meeste mensen niet veel hoger in de voedselketen zaten dan de dieren waarvan we dachten dat ze bij vroegmiddeleeuwse mensen op het menu konden staan. En sommigen zaten zelfs lager en aten dus blijkbaar voornamelijk plantaardig voedsel. Daarnaast vergeleken we de isotoopwaarden ook met die van moderne mensen die zichzelf als vegetariër, veganist of omnivoor bestempelen en dat bevestigde het idee dat de vroegmiddeleeuwse mensen voornamelijk een plantaardig dieet volgden met zo af en toe wat dierlijke eiwitten (waaronder ook zuivelproducten en eieren, niet alleen maar vlees). Om de sociale status van deze mensen vast te stellen, maakten we gebruik van grafgiften (we keken hoeveel er waren en om wat voor type grafgiften het ging), maar ook hoe mensen begraven waren (waren ze in een kist begraven of hadden ze iets anders dat erop wees dat ze speciaal waren?).” Het doel was om na te gaan of er een correlatie was tussen de vermoedelijke status of rijkdom van mensen en een relatief eiwitrijk dieet. “Maar we konden geen correlatie vinden.” In andere woorden: de rijke mensen aten niet meer vlees dan de ‘gewone’ mensen. “Het isotopische bewijs suggereert dat diëten in deze periode door de sociale klassen heen veel sterker op elkaar leken dan we dachten,” stelt Leggett. “We zouden ons een breed scala aan mensen moeten voorstellen dat voornamelijk brood at, met kleine hoeveelheden vlees en kaas of prei en volkoren granen met een heel klein beetje vlees daar doorheen.”

Het staat zoals gezegd behoorlijk haaks op eerdere ideeën over het dieet van Angelsaksische heersers en het verandert onze kijk op de vroeg-middeleeuwse Engelse elite behoorlijk. “Het standaardmodel stelt dat rondreizende koningen (in de vroege middeleeuwen) de dorpen in hun koninkrijken bezochten, zodat zij – en hun aristocratische huishoudens – het voedsel konden eten dat de boeren in die dorpen hun verschuldigd waren. We hebben een lijst van wat elke 10 hides aan land (ongeveer 48 hectare, red.) voor de koning moest opbrengen en die lijsten zijn duidelijk rijk aan dierlijke eiwitten. Dus we dachten altijd dat de elite uit deze periode voortdurend vlees at. Zien dat bioarcheologisch onderzoek iets anders laat zien, is best schokkend, omdat het suggereert dat er iets mis is met dit vertrouwde standaardmodel.”

Samen tafelen
Maar als er lijsten zijn die uitwijzen dat de Angelsaksische heersers zich behoorlijk wat vlees toe-eigenden en botten uitwijzen dat rijkere mensen nauwelijks vlees aten, waar bleef al dat vlees dan? Dat is een goeie vraag. En eentje die ook de onderzoekers natuurlijk dwarszat. Ze besloten dan ook om die lijsten die dicteren hoeveel voedsel de onderdanen aan de elite moesten afstaan, nog eens onder de loep te nemen. En dat leidt tot een interessante conclusie. Namelijk: het was niet zo dat de onderdanen het voedsel als een soort belasting aan hun heersers afstonden en daarna weer terugkeerden naar hun eigen huizen; in plaats daarvan lijken ze gezellig mee te hebben getafeld.

Lijsten
De onderzoekers trekken die voorzichtige conclusie nadat ze meerdere voedsellijsten onder de loep namen. “De eerste die we bekeken, maakt deel uit van de wetten van koning Ine uit Wessex (688-726) en onthult hoeveel voedsel elke 10 hides aan land voor de koning op moest leveren. Doorgaans hebben we dit gezien als een wet die onthult wat het standaard belastingtarief was. Zoals gezegd zijn historici geneigd om zich vroegmiddeleeuwse koningen voor te stellen als heersers die constant in hun koninkrijk rondreisden om de voorgeschreven afdracht aan voedsel te innen.” Daarnaast namen de onderzoekers ook een tekst onder de loep die stamt uit het einde van de achtste eeuw en waarin koning Offa van Mercia een groot stuk land aan de kerk afstaat, maar als voorwaarde stelt dat een deel van het voedsel dat dit land oplevert, aan hem wordt afgedragen.

“De meeste voedsellijsten die we gebruikten, waren echter lijsten met benodigdheden voor jaarlijkse herdenkingsfeesten. Het lijkt in de negende eeuw vrij gewoon te zijn geweest voor rijke mensen om deze in hun testament te laten opnemen.” Daarmee werd opdracht gegeven om jaarlijks bijvoorbeeld op de sterfdag van deze edelen een feest te organiseren. De onderzoekers bestudeerden de lijsten niet alleen afzonderlijk, maar vergeleken ze ook met elkaar. En dat levert een interessante conclusie op; de lijsten die vermelden hoeveel voedsel er aan de koningen moest worden afgedragen, blijken ongeveer net zoveel brood, bier en vlees te bevatten als de voorraadlijsten voor de grote herinneringsfeesten. “Dat is belangrijk,” stelt Lambert. Want het hint er sterk op dat de koningen het afgedragen voedsel niet alleen, maar het een grote groep mensen nuttigden.

Zo veel voedsel
“Wat opvalt aan deze lijsten met voedsel is dat ze zo ontzettend veel voedsel herbergen,” stelt Lambert. Als voorbeeld haalt hij de lijst uit de wetten van koning Ine van Wessex aan. Op deze lijst is te lezen dat elke 10 hides aan land 300 broden moest opleveren. “En omdat al het historische en archeologische bewijs suggereert dat een brood vrij klein was – net genoeg voor één persoon – denken we dat de persoon die deze lijsten noteerde, zich een maaltijd voorstelde waarbij 300 mensen aanwezig waren (…) Dit is interessant, omdat historici doorgaans aannemen dat koningen een feestmaal deelden met veel kleinere groepen aristocratische strijders en kerkelijken en dat relatief gewone boeren niet welkom waren. Maar deze getallen suggereren dat die aanname niet klopt; dit soort feestmaaltijden (niet alleen de maaltijden die georganiseerd werden om de koning te eren als hij op bezoek kwam, maar ook de feesten bedoeld om de rijke doden te gedenken) waren grote, misschien zelfs publieke aangelegenheden en het is heel onwaarschijnlijk dat ze – met deze omvang – zo sociaal exclusief waren als we nu vaak denken.”

Schranzen
Vroegmiddeleeuwse edelen en koningen aten door de bank genomen dus geen vlees, maar zo af en toe lieten ze zich – in het gezelschap van hun onderdanen – even lekker gaan. En dan werd er – zowel door die edelen als de onderdanen – waarschijnlijk behoorlijk geschransd. “Zelfs voor 300 mensen lijkt de hoeveelheid vlees die op de lijsten staat, veel te overdreven,” stelt Lambert. “Op de lijsten staat ruim genoeg voedsel voor zeker twee keer zoveel mensen.” Dat lijkt misschien vreemd, maar wees eerlijk: wat doen wij als we een feestje geven? “Ik ben naar heel wat barbecues geweest waar vrienden belachelijke hoeveelheden vlees bereidden, dus dat moet ons niet heel erg verrassen. De gasten aten waarschijnlijk de lekkerste dingen op en de restjes werden misschien opgeslagen voor later.”

Op zijn kop
Het onderzoek zet het beeld dat historici van vroegmiddeleeuwse Angelsaksische koningen hadden, op meerdere manieren op zijn kop. Niet alleen zag hun dieet er anders uit dan we denken. Ook het ‘belastingstelsel’ stak anders in elkaar. In plaats van jaarlijks een deel van het voedsel aan de koning te moeten afdragen, lijken de onderdanen belasting te hebben betaald in de vorm van een jaarlijks feest waarvoor ze weliswaar zelf het voedsel moesten aanleveren, maar ook zelf aan mochten deelnemen. En dat laatste verandert weer onze kijk op de vroegmiddeleeuwse samenleving. “Het suggereert dat de sociale afstand tussen koningen en de boeren die hun eigen boerderijen bezaten niet zo groot was als we dachten. De aristocratische elite die voor de komst van de Vikingen leefde, had waarschijnlijk niet zo’n minachtende kijk op de boeren en landbouw als de elite in de latere middeleeuwen had.”

Nieuwe vragen
Maar het onderzoek roept ook nieuwe vragen op. Zo breekt Lambert zich momenteel voornamelijk het hoofd over hoe de rijke edelen en heersers in zo’n op feesten gebaseerde economie toch goed in de slappe was konden zitten. “Die feesten waren economisch niet zo belangrijk, in die zin dat het voedsel niet werd gebruikt om elitaire huishoudens te onderhouden, maar tijdens grote feesten werd opgegeten. Ik vraag me dan ook af hoe de vroegmiddeleeuwse elite winst kon maken op hun uitgeleende grond. Voor de meeste perioden en plaatsen die ik bestudeer, geldt namelijk dat het onaannemelijk is dat de boeren ook nog eens regelmatig huur betaalden in contanten (want er waren nog niet genoeg munten in omloop en niet voldoende steden om een overschot aan oogst te verkopen). En als de voedselafdracht economisch gezien niet significant is, wat leverde het uitlenen van grond aan honderden boeren de kerkelijken en edelen dan op?” Vervolgonderzoek moet dat uitwijzen.

Voor de onderzoekers zich op dergelijke vervolgvragen gaan stukbijten, kijken ze eerst reikhalzend uit naar de eerste isotopische data uit de Winchester Mortuary Chests. Hierin zouden zich de resten van verschillende Angelsaksische koningen – zoals Egbert en Knoet de Grote – bevinden. “We weten niet wat we daarvan mogen verwachten!” stelt Lambert. “Het zou geweldig zijn als hun stikstofisotopen onze suggesties bevestigen, maar daar zijn we nog niet helemaal zeker van. Enerzijds omdat de koninklijke skeletten uit een latere periode stammen dan de dataset die wij gebruikt hebben. Maar ook omdat we niet 100 procent zeker zijn dat de hoogste elite in onze dataset vertegenwoordigd is.” Leggett analyseerde zoals gezegd de resten van meer dan 2000 vroegmiddeleeuwse mensen. Aan de hand van onder meer grafgiften kon worden bewezen dat hun sociale status uiteenliep, maar of er onder de mensen met de hoogste sociaal-economische status in de dataset ook daadwerkelijk koningen, bisschoppen of edelen waren, is niet meer na te gaan. Het lijkt aannemelijk dat er in deze enorme dataset in ieder geval wel enkele mensen moeten zijn geweest met een dieet dat zich kon meten met dat van koningen en hoge edelen. Maar zeker is dat dus niet. “Toch denken we dat de meeste van onze conclusies – ongeacht wat er in de Winchester-kisten wordt aangetroffen – wel overeind blijven,” stelt Lambert. “Het belangrijkste punt – dat de rijken en armen voor de komst van de Vikingen allemaal relatief weinig dierlijk eiwit aten – zou stand moeten houden, ook al weten we niet zeker of dat ook voor het handjevol allerrijkste huishoudens in een koninkrijk gold. En de conclusie dat koningen recht hadden op feesten in plaats van een soort voedselbelasting is voornamelijk gebaseerd op tekstueel bewijs, dus dat zal ook niet veranderen als blijkt dat de stikstofisotopen van koning Egbert of koning Kanoet afwijkende waarden hebben. Het zou dan alleen betekenen dat zij wat vaker naar die grote collectieve feesten gingen dan we nu denken.”