Nederlanders hebben nog altijd veel vertrouwen in de wetenschap. Gemiddeld krijgt de wetenschap in 2026 een 7,4, tegenover een 7,5 vorig jaar. De meeste Nederlanders veranderden nauwelijks van mening. Over de mogelijkheden van kunstmatige intelligentie in de wetenschap zijn ze ondertussen een stuk minder optimistisch geworden.
Dat blijkt uit onderzoek van het Rathenau Instituut onder 4.554 Nederlanders. De wetenschap staat daarmee opnieuw bovenaan de onderzochte instituties. De rechtspraak volgt met een 6,4 en kranten krijgen gemiddeld een 5,7.
Het gemiddelde vertrouwen daalde iets, toch zijn de meeste Nederlanders nauwelijks van mening veranderd. Ruim 80 procent van de respondenten geeft de wetenschap een punt meer of minder dan een jaar eerder. Bij 12 procent daalde het vertrouwen meer dan een punt terwijl het bij 8 procent juist met meer dan een punt steeg.
Iets meer Nederlanders hebben weinig vertrouwen in de wetenschap en gaven het een 5 of lager op een schaal van tien. Dit aantal steeg van 15 naar 16 procent. Het aantal mensen dat wetenschap een negen of tien gaf daalde van 34 naar 32 procent, wat nog steeds hoger is dan de cijfers tussen 2012 en 2018, toen gaf slechts 10 tot 15 procent zo’n hoog cijfer.
AI minder in trek
Kunstmatige intelligentie werd eind 2024 nog door 60 procent gezien als hulp bij grote wetenschappelijke uitdagingen zoals klimaatverandering en ernstige ziekten. In 2026 denkt nog maar 37 procent dat de computersystemen daarbij kunnen ondersteunen.
Vertrouwen vergroten
Bijna de helft van de respondenten, 46 procent, vindt het belangrijk dat hun vertrouwen in wetenschap wordt vergroot. Wat opvalt is dat het nauwelijks uitmaakt hoeveel vertrouwen iemand nu al heeft. Mensen met veel en weinig vertrouwen vinden ongeveer even vaak dat hun vertrouwen verder vergroot zou moeten worden.
Op de open vraag wat daarvoor nodig is, antwoorden ze vaak dat ze minder bemoeienis van de politiek met de wetenschap willen en dat commerciële belangen vermeden moeten worden. Praktische toepasbaarheid van wetenschappelijke kennis hangt ook sterk samen met het vertrouwen erin.
Wie vertrouwen we als ze wetenschappelijk onderzoek gebruiken?
Artsen vertrouwen we als ze mensen voorlichten op basis van wetenschappelijk onderzoek, net zoals mensen de conclusies die wetenschappelijke adviesraden, rechters, advocaten en docenten geven vertrouwen: de helft tot driekwart van de Nederlanders hebben dan vertrouwen. Dit is niet het geval bij vrienden, journalisten, beleidsmakers, bedrijven, burgers, activisten en politici. Die groepen kunnen hoogstens rekenen op het vertrouwen van een derde van de respondenten.
EU: ja, VS, China en Rusland: nee
59 procent van de Nederlanders heeft vertrouwen in samenwerking tussen Europese onderzoeksinstellingen. Als er samenwerkingen zijn met Japan of Australië daalt dat iets tot 57 procent. Als instellingen uit de VS meedoen of uit China of Rusland, dan dalen die percentages stevig, respectievelijk tot 26, 16 en 8 procent. Het lage scoren van de VS en China noemt het instituut ‘opvallend’, juist omdat veel universiteiten in die landen tot de wereldtop behoren.
Vertrouwen en rond kunnen komen hangen samen
Dit jaar onderzocht het Rathenau Instituut voor het eerst of het gevoel rond te kunnen komen van het huishoudinkomen een rol speelt voor vertrouwen in de wetenschap. Dat bleek inderdaad zo te zijn. In voorgaande jaren leek het juist een verschil tussen hoger opgeleiden en een hoger vertrouwen, maar dat valt weg als mensen het gevoel hebben niet goed rond te kunnen komen. Onderzoeksleider Jelle Slief zegt: “Het is geen definitief bewijs dat opleiding helemaal niets doet, maar het huishoudinkomen lijkt een betere voorspeller dan opleidingsniveau en dat zet zeker aan het denken.”
Wij-zij-denken groter bij mensen met meer vertrouwen
Opvallend was at mensen met veel vertrouwen in de wetenschap vaker positief staan tegenover mensen die ook veel vertrouwen hebben en juist negatief tegenover mensen met weinig vertrouwen, ook wel affectieve polarisatie genoemd.
Mensen met weinig vertrouwen bleken milder en uit vervolgvragen blijkt dat een meerderheid van de mensen, zowel met hoog als met laag vertrouwen, best in gesprek wil gaan met iemand met andere opvattingen.
Voor het eerst zelfde groep mensen gevolgd
Het Rathenau Instituut meet sinds 2012 het vertrouwen in de wetenschap en deed dat tot 2025 elke drie jaar met een wisselende steekproef. Vanaf 2025 wordt het onderzoek vier jaar leng elk jaar uitgevoerd onder dezelfde mensen. Het instituut wil zo in de toekomst meer kunnen zeggen over individuele verschuivingen.

