Je hebt van die mensen, die kunnen eten wat ze willen zonder een grammetje aan te komen. Bewegen zij zoveel meer of eten ze minder? Chinese wetenschappers besloten te onderzoeken wat extreem lichte mensen zo licht maakt. 

Tot nu toe richt onderzoek naar lichaamsgewicht zich vooral op mensen met een hoge Body Mass Index (BMI), maar onderzoekers in China hebben nu eens gekeken naar mensen met een heel laag BMI. Ze deden een opmerkelijke ontdekking: deze extreem dunne mensen zijn aanzienlijk minder actief dan mensen met een normaal BMI. Lang werd gedacht dat magere mensen van nature een metabolisme hadden dat hen actiever maakt, maar dat is volgens de Chinese onderzoekers niet zo. Wel eten ze minder dan mensen met een normaal BMI.

Minder eten
“We hadden verwacht dat deze mensen juist erg actief zijn en een snelle stofwisseling hebben, terwijl ze wel normaal eten”, zegt professor John Speakman van de Britse University of Aberdeen en het Shenzhen Institute of Advanced Technology in China. “Maar er blijkt iets heel anders aan de hand te zijn. Ze aten minder én bewogen minder. Wel hadden ze een snellere stofwisseling dan verwacht, gelinkt aan een verhoogde hoeveelheid schildklierhormonen.”

Schildklier
Je schildklier speelt een belangrijke rol bij de controle van je stofwisseling. Als je schildklier te traag werkt (hypothyreoïdie), is je stofwisseling ook traag en is het lastig om gewicht te verliezen. Je hebt dan vaak ook andere symptomen, zoals vermoeidheid, constipatie, dunner wordend haar en gevoelens van kou. Naar schatting hebben ongeveer een half miljoen Nederlanders een te traag werkende schildklier, soms zonder dat ze het zelf doorhebben. Werkt je schildklier te snel dan is het juist lastig om op gewicht te blijven. Bijbehorende symptomen zijn hartkloppingen, overmatig zweten en rusteloosheid.

De onderzoekers onderzochten 173 mensen met een normaal BMI (tussen de 21,5 en 25) en 150 met een BMI onder de 18,5. Met hulp van vragenlijsten werden de mensen eruit gefilterd met eetstoornissen of ziektes. De deelnemers werden twee weken lang gemonitord. Hun calorie-inname werd bijgehouden net als hun hoeveelheid lichaamsbeweging.

Minder actief
De onderzoekers ontdekten dat degenen met een gezond ondergewicht 12 procent minder calorieën binnenkregen vergeleken met de controlegroep met een normaal BMI. Ze waren ook aanzienlijk minder actief: ze kregen gemiddeld 23 procent minder lichaamsbeweging. Tegelijkertijd hadden de slanke proefpersonen een snellere stofwisseling in rust. Ze verbrandden dus meer calorieën in rusttoestand en hadden een verhoogde activiteit van de schildklier.

Goede hartgezondheid
Maar ongezond leken ze allerminst. “Hoewel deze hele slanke mensen relatief weinig bewogen, waren de markers voor hun hartgezondheid, zoals cholesterol en bloeddruk, heel erg goed”, zegt onderzoeksleider Sumei Hu van de Beijing Technology and Business University. “Dit wijst erop dat weinig lichaamsvet mogelijk belangrijker is dan veel fysieke activiteit als het gaat om de negatieve gevolgen voor de hartgezondheid.”

De onderzoekers noemen wel enkele beperkingen van hun onderzoek. Zo hebben ze de calorie-inname gemeten, maar niet bijgehouden wat de deelnemers precies aten of hoe vol ze zich voelden.

Genen
Het onderzoeksteam gaat het onderzoek daarom nu uitbreiden met deze factoren. Ze willen ook gaan kijken naar genetische verschillen tussen mensen met een normaal gewicht en gezond ondergewicht. Een eerste analyse doet vermoeden dat enkel-nucleotide-polymorfie in bepaalde genen een rol speelt. Als deze genetische veranderingen werden gekopieerd bij muizen, kregen de dieren sommige aspecten van het fenotype die ook bij mensen zijn waargenomen. “De volgende fase is om meer te begrijpen van het fenotype zelf en de mechanismen die erachter zitten duidelijker te krijgen”, aldus Speakman.

Enkel-nucleotide-polymorfie
Deze variatie in het DNA, afgekort tot SNP, is een enkele nucleotide (bouwsteen van DNA) lang en is de meest voorkomende genetische variatie bij mensen. Het gaat om een enkele wijziging in het genoom, waarbij één nucleotide anders is in de DNA-volgorde. Omdat het meestal geen nadeel oplevert, kan dit kopieerfoutje in de DNA-replicatie voortbestaan. Naar schatting heeft een mens op elke 1300 nucleotiden in het DNA één SNP. SNP’s zijn belangrijk bij onderzoek naar de aanleg voor een ziekte of de kans op bijwerkingen van medicijnen.