Sport en bewegen maken niet alleen gezonder, maar ook goedkoper. Onderzoek toont dat buurten waar meer inwoners actief sporten of aan de beweegrichtlijn voldoen, lagere zorgkosten hebben.
Onderzoekers van de Rijksuniversiteit Groningen (RUG) hebben voor de gemeenten Amsterdam en Rotterdam onderzoek gedaan naar het verband tussen ‘sport en bewegen’ en zorgkosten. De resultaten tonen duidelijk aan dat in buurten waar meer inwoners wekelijks sporten en aan de beweegrichtlijn voldoen, de zorgkosten lager zijn.
Methode
In het onderzoek zijn de verschillen in welvaart meegenomen door te kijken naar de sociaaleconomische status (SES) van de deelnemende buurten. Deze SES houdt rekening met inkomen, opleiding en arbeidssituatie van de bevolking in een buurt. Daarnaast is er in de analyses rekening gehouden met verschillen in de buurten op het gebied van leeftijd en geslacht. De onderzoekers vergeleken daarbij buurten met een vergelijkbare SES in Amsterdam en Rotterdam onderling en met landelijke gemiddelden. Het onderzoek is gedaan met gegevens over zorgkosten uit 2019, om effecten van het coronavirus uit te sluiten.
Gemiddeld genomen hebben Nederlandse buurten waar 1 procent meer wekelijkse sporters zijn, jaarlijks 9 euro lagere zorgkosten per inwoner. Buurten waarin van alle bewoners 1 procent meer voldoet aan de beweegrichtlijn hebben gemiddeld 8 euro lagere jaarlijkse zorgkosten per inwoner. Dit lijkt op het eerste gezicht niet heel veel, maar omgerekend naar een Amsterdams stadsdeel is dit een groot bedrag per jaar.
Stel je voor:
In Amsterdam beweegt ongeveer de helft van de inwoners te weinig, dat zijn bijna een half miljoen mensen. Als slechts 2 procent van deze groep, zo’n 9.350 Amsterdammers, wekelijks zou gaan sporten of aan de beweegrichtlijn zou voldoen, levert dat naar schatting 14 miljoen euro lagere zorgkosten per jaar op. Voor Rotterdam geldt hetzelfde beeld: ook daar beweegt ongeveer de helft van de inwoners te weinig, ruim 335.000 mensen. Als 2 procent van hen, zo’n 6.700 Rotterdammers, extra in beweging komt, bespaart dat naar verwachting ruim 11 miljoen euro aan zorgkosten per jaar.
Beweegrichtlijn
De beweegrichtlijn voor volwassen luidt: minstens 150 minuten per week matig of zwaar intensieve inspanning, verspreid over meerdere dagen. Minstens twee keer per week spier- en botversterkende activiteiten, voor senioren aangevuld met balansoefeningen. Voorkom veel stilzitten.
Een tweede opvallende uitkomst van het onderzoek is dat sporten of meer bewegen niet overal dezelfde effecten heeft. Zo zijn de verschillen in zorgkosten tussen buurten waar meer wordt gesport en waar minder wordt gesport het grootst in buurten met relatief weinig welvarende mensen. Het effect van sporten wordt kleiner naarmate de welvaart van de buurten toeneemt. In buurten met meer welvaart zijn er vooral lagere zorgkosten als er meer inwoners aan de beweegrichtlijn voldoen. Het effect van sport en bewegen op zorgkosten lijkt dus flink te verschillen tussen buurten, afhankelijk van de SES van de buurt.
Ook toont het onderzoek aan dat juist verschillen in welvaart de verschillen in zorgkosten tussen buurten het meest verklaren. De zorgkosten in 10 procent van de meest welvarende buurten liggen gemiddeld jaarlijks 1000 euro per persoon lager dan in 10 procent minst welvarende buurten. Ook daar zijn sport en bewegen belangrijke verklarende factoren. In de minst welvarende buurten ligt de meeste potentie voor een hogere sport- en beweegdeelname en voor lagere zorgkosten.
Verschillen hoge en lage SES
Waar in de meest welvarende buurten 54 procent voldoet aan de beweegrichtlijn, is dat in de minst welvarende 46 procent. Voor wekelijks sporten zijn de verschillen nog groter tussen de meest en minst welvarende buurten, 59 procent tegenover 39 procent. In de onderzochte hogere SES-buurten had 29 procent een lidmaatschap van een sportvereningen, in lagere SES-buurten was dit 12 procent.


