Onderzoekers hebben ontdekt dat de pupillen van mensen met afantasie in bepaalde omstandigheden anders zijn dan die van mensen die wel visuele verbeeldingskracht hebben.

Denk eens aan een roze olifant. Grote kans dat je nu een enorm exemplaar voor je ziet. Hoewel dat bij de meeste mensen zo werkt, kunnen sommigen geen beelden vormen in hun hoofd. En dat zijn zogenoemde ‘afantasten’, mensen met een zeldzame afwijking waardoor ze een gebrek hebben aan inbeeldingsvermogen. Tot nu toe was het altijd vrij lastig te achterhalen of iemand ‘afantasie’ heeft. Maar een nieuwe studie onthult een fysiologische test waaruit kan blijken of iemand deze afwijking heeft.

Meer over afantasie
Afantasie is zoals gezegd het onvermogen tot visuele verbeelding. Het betekent dat iemand die wel zintuigen kan waarnemen, geen mentale beelden kan visualiseren of, anders gezegd, uit zichzelf beelden kan creëren. Ze begrijpen bijvoorbeeld niet wat het betekent om schaapjes te tellen voordat ze naar bed gaan. Ook kunnen ze niet de woonkamer van hun ouders visualiseren of zich bepaalde geuren voorstellen. Afantasie is eigenlijk pas recentelijk aan het licht gekomen als een psychologisch fenomeen. Dit is gedeeltelijk te danken aan een aantal beroemde mensen die ermee naar voren kwamen en schreven over hun gebrek aan ervaring met visuele beelden.

In de nieuwe studie bestudeerden de onderzoekers de pupillen van mensen met en zonder afantasie. De deelnemers werden tijdens het experiment blootgesteld aan veel en weinig licht. Zoals verwacht vernauwden de pupillen van alle deelnemers bij fel licht, terwijl ze in het donker juist verwijdden.

Voorstellen
Vervolgens gingen de onderzoekers een stapje verder. Om visuele beelden te testen – het vermogen van de geest om objecten te visualiseren – werd de deelnemers gevraagd om zich lichte en donkere vormen voor te stellen. Vervolgens werden de oogbewegingen en de pupilgroottes bestudeerd.

Pupilgrootte
Het experiment leidt tot een opvallende ontdekking. De pupillen van mensen zonder afantasie bleken namelijk zelfs op ingebeelde lichte en donkere vormen te vernauwen en te verwijden. “De pupilreflex is een aanpassing die de hoeveelheid licht die op het netvlies valt optimaliseert,” legt onderzoeker Joel Pearson uit. “Het is bekend dat ingebeelde objecten veranderingen in pupilgrootte kunnen bewerkstelligen. Maar we waren verrast om te zien dat de pupilgrootte het sterkst veranderde bij degenen die hele levendige beelden konden oproepen.” Wat daarnaast heel interessants is, is dat de pupillen van afantasten niet reageerden toen hen werd gevraagd lichte en donkere objecten voor te stellen.

Fysiologische test
Het betekent dat onderzoekers hebben ontdekt dat de pupillen van mensen met afantasie in bepaalde omstandigheden anders zijn dan die van mensen die wel visuele verbeeldingskracht hebben. “Onze resultaten laten een opwindende nieuwe en objectieve methode zien waarmee het vermogen om visuele beelden op te roepen gemeten kan worden,” zegt onderzoeker Joel Pearson. “Het is het eerste fysiologische bewijs van afantasie. Het betekent dat we nu dicht bij een objectieve, fysiologische test zijn – vergelijkbaar met een bloedtest – om te zien of iemand deze afwijking heeft.”

Hyperfantasie
De onderzoekers zijn nu van plan te onderzoeken hoe deze nieuwe methode kan worden opgeschaald. Overigens is deze test waarschijnlijk niet alleen nuttig om te achterhalen of iemand afantasie heeft, ook mensen die hyperfantasie hebben – en extreem levendige mentale beelden kunnen oproepen – zijn er mogelijk mee geholpen. “Dit is echt een spannende tijd,” zegt Pearson. “We zijn dicht in de buurt van een betrouwbare test die mogelijk ook online kan worden uitgevoerd door miljoenen mensen wereldwijd.”

Het is een belangrijke stap voorwaarts. “We weten dat het al dan niet denken in beelden invloed heeft op het aantal details in levenslange herinneringen, hoe emotioneel we worden bij het lezen van een boek en hoe we gebeurtenissen in het kortetermijngeheugen opslaan,” gaat Pearson verder. “Onze nieuwe methode zal ons in staat stellen de hersenmechanismen van visuele beelden beter te begrijpen. En dat heeft grote implicaties voor hoe we denken, beslissingen nemen en ons voelen.”