Natuur floreert in Tsjernobyl, hoe kan dat eigenlijk?

Diederik legt uit hoe het kan dat flora en fauna het op het eerste gezicht zo goed lijkt te doen op deze plek.

De Chernobyl Exclusion Zone ontstond na een ramp, maar doordat mensen er grotendeels verdwenen kregen sommige dieren juist meer ruimte. Wolven, lynxen, Przewalskipaarden en Europese bizons doen het er opvallend goed. Niet omdat straling ongevaarlijk is, maar omdat menselijke jacht, landbouw en verkeer voor veel grote dieren nog schadelijker kunnen zijn.

Toch is het verhaal minder sprookjesachtig dan soms wordt verteld. Straling kan genetische schade veroorzaken, levens verkorten en tumoren veroorzaken. Bij insecten, vogels en kleinere organismen zijn dan ook duidelijke negatieve effecten te zien. Zelfs bij boomkikkers is verandering zichtbaar: sommige populaties zijn donkerder geworden. Kikkers met meer melanine overleefden vermoedelijk beter en gaven hun genen door.

En dan is er nog de wildzwijnparadox. In Duitsland, vooral in Beieren en Oostenrijk, zijn veel wilde zwijnen nog steeds te radioactief om te eten. Dat komt door een ondergrondse paddenstoel waar ze dol op zijn. Die neemt radioactief cesium op als een spons.

Opvallend genoeg komt meer dan de helft van die straling niet uit Tsjernobyl, maar van atoombomtesten uit de jaren 50 en 60. Terwijl de oppervlakte schoner wordt, blijft de maaltijd van het wild zwijn vertraagd radioactief.

Check ook de andere filmpjes over Tsjernobyl. Of de twee podcasts!

Bronmateriaal

"" -
Afbeelding bovenaan dit artikel:

Fout gevonden?

Voor jou geselecteerd