Kerosine hoeft staal niet te laten smelten om een gebouw in gevaar te brengen. Dat is precies de denkfout in de bekende uitspraak dat “jet fuel can’t melt steel”. Klopt: staal smelt pas rond de 1500 graden en een kerosinebrand haalt meestal 800 tot 1000 graden. Maar ver vóór dat smeltpunt is staal al een groot deel van zijn kracht kwijt. Diederik legt uit hoe dit zit in deze video:
Staal is een legering van ijzer met een beetje koolstof. Dat koolstof maakt het materiaal sterker, doordat het de beweging van kleine foutjes in het atoomrooster tegenwerkt. Zie het als zand tussen tandwielen: het blokkeert de boel. Maar zodra staal warmer wordt, gaan de atomen harder trillen. Vanaf zo’n 300 tot 400 graden kunnen die foutjes weer makkelijker bewegen. Het materiaal wordt dan minder sterk en minder stijf.
Meer kauwgom dan staal
Dat gaat snel. Bij 400 graden heeft staal nog ongeveer 80 procent van zijn kracht over. Bij 600 graden is dat nog maar de helft. En bij 800 graden gedraagt een dragende constructie zich ineens veel meer als kauwgom dan als staal.
Daardoor kunnen vloerliggers gaan doorhangen. In plaats van te steunen, trekken ze aan kolommen. Net als bij een leeg blikje kan één ingeduwd stukje dan genoeg zijn om het geheel te laten bezwijken. Niet gesmolten, wel kapot.



