Krill rondom pinguïnkolonies wordt niet alleen schaarser, maar mogelijk ook moeilijker bereikbaar.
Rondom grote pinguïnkolonies ontstaat vaak een zone waarin minder voedsel beschikbaar is. Deze zone heet Ashmole’s halo. Tot nu toe dachten onderzoekers vooral dat vogels hun omgeving simpelweg ‘leeg eten’. Een nieuwe studie naar Adeliepinguïns en krill laat zien dat er waarschijnlijk meer aan de hand is. Het krill kan ook vluchten of zich verplaatsen, waardoor pinguïns meer moeite moeten doen om hun prooi te bereiken.
“Traditioneel werd Ashmole’s halo vooral verklaard door het opeten van prooien”, zegt onderzoeksleider Hina T. Watanabe van het Japanse National Institute of Polar Research. “Roofdieren eten de prooien dicht bij de kolonie op, waardoor daar minder voedsel overblijft. Maar een soortgelijk effect kan ook ontstaan als prooien hun gedrag of verspreiding aanpassen.” Het onderzoek is te vinden in Proceedings of the Royal Society B Biological Sciences.
Broedseizoen
De onderzoekers bestudeerden broedende adeliepinguïns bij een kolonie in het oosten van Antarctica. Deze pinguïns moeten tijdens het broedseizoen steeds terugkeren naar hun nest om hun jongen te voeren. Daardoor zoeken ze vaak voedsel in hetzelfde gebied rondom de kolonie.
In totaal volgde het team 23 pinguïns. Samen maakten de dieren ruim 6.000 duiken. De pinguïns droegen kleine apparaten die onder meer hun positie, snelheid, duikdiepte en bewegingen vastlegden. Sommige vogels kregen ook een camera mee. Zo konden de onderzoekers zien waar de pinguïns zwommen en op welke momenten ze voedsel vingen. Met al die gegevens maakten zij driedimensionale kaarten van de duiken.
Het ijs rondom de kolonie speelde daarbij een belangrijke rol. De pinguïns konden alleen via een beperkt aantal scheuren en openingen het water in. Daardoor gebruikten veel vogels steeds dezelfde plekken. Dat maakte het voor de onderzoekers mogelijk om te volgen wat er gebeurde wanneer pinguïns herhaaldelijk in hetzelfde gebied op krill jaagden.
Tijdens opeenvolgende duiken moesten de pinguïns steeds dieper zwemmen. Ook legden ze onder het ijs steeds grotere afstanden af voordat ze krill tegenkwamen. Hetzelfde patroon was zichtbaar rondom de hele kolonie: als ze via een nabijgelegen opening het water in gingen kostte het de pinguïns meer moeite om een groep krill te bereiken. Dat was niet het geval als de pinguïns een opening gebruikten die verder weg lag.
Daarnaast ontdekte het team ook dat het succes van de pinguïns niet duidelijk afnam zodra ze het krill gevonden hadden. De snelheid waarmee ze daar voedsel vingen bleef op hoofdlijnen gelijk. Dat betekent dat de hoeveelheid krill waarschijnlijk niet afgenomen was, maar dat het krill simpelweg verder weg of dieper in het water zat.
“Voedsel kan moeilijker te krijgen zijn, ook als het niet per se verdwenen is”, zegt Watanabe. “We zagen dat pinguïns steeds dieper en verder moesten duiken om prooien te vinden. Maar zodra ze het krill bereikten, bleef hun voedingssnelheid ongeveer gelijk.”
Vluchtgedrag
Volgens de onderzoekers laat dat zien dat krill eventueel op de vlucht slaat doordat pinguïns herhaaldelijk langskomen. Daardoor lijkt het voor de pinguïns alsof er minder prooien beschikbaar zijn, terwijl dat dus niet nadrukkelijk het geval is. De onderzoekers noemen dat ‘functional prey depletion’. Daarmee bedoelen ze dat prooien nog wel aanwezig zijn, maar over tijd minder goed bereikbaar worden. Dat verschilt dus van ‘normale’ prey depletion, waarbij het daadwerkelijke aantal prooidieren wel daalt doordat roofdieren ze opeten.
Dat verschil is belangrijk: als pinguïns steeds verder moeten reizen of dieper moeten duiken om prooien te vinden lijkt het al snel alsof er (te) weinig voedsel is. Dat hoeft echter dus niet het geval te zijn: het kan ook betekenen dat prooien zich aan het verplaatsen zijn. Als onderzoekers alleen kijken naar wat roofdieren doen kan daardoor een verkeerde conclusie getrokken worden over de hoeveelheid voedsel die in een gebied te vinden is.
Ecosystemen veranderen
Daarmee laat het onderzoek zien dat roofdieren een ecosysteem ook op andere manieren kunnen veranderen: niet alleen door prooien op te eten, maar ook door hun jachtgedrag. Daardoor kunnen prooien zich dus anders gaan gedragen, waardoor de precieze indeling van leefgebieden kan veranderen. Net zoals bij de pinguïns: doordat ze steeds op dezelfde plekken duiken ‘duwen’ ze het krill als het ware steeds verder weg. Zo kan uiteindelijk een zone ontstaan rondom een kolonie waarin weinig voedsel te vinden is.
Het onderzoek komt echter wel met een belangrijke kanttekening. Watanabe zegt: “voor dit onderzoek hebben we alleen het gedrag van de pinguïns bekeken. We hebben dus niet de bewegingen van het krill rechtstreeks gemeten.” Watanabe wil daarom tijdens een vervolgonderzoek kijken naar hoe het krill zich onder het ijs verplaatst. Op die manier hoopt hij duidelijk te ontdekken hoeveel krill daadwerkelijk wordt opgegeten en hoe ver de dieren precies vluchten.
We schreven vaker over dit onderwerp, lees bijvoorbeeld ook Vanuit de ruimte is het zichtbaar: pinguïns eten anders door de opwarming van de aarde en Duizenden dode pinguïns in Patagonië: poema’s doden massaal pinguïns die ze niet eens opeten . Of lees dit artikel: Pinguïns in Zuid-Afrika massaal verhongerd: populatie compleet ingestort .
Uitgelezen? Luister ook eens naar de Scientias Podcast:


