Pelsrobben lijken na een duik vaak een dutje te doen op het land. Een nieuw onderzoek laat echter zien dat hun lichaam dan juist hard aan het werk is.
Wie een teruggekeerde pelsrob op het strand ziet liggen denkt al snel dat ie aan het luieren is. Toch blijkt er onderhuids veel te gebeuren. Onderzoekers zagen dat Kaapse pelsrobben en Australische zeeberen uren na hun terugkeer aan land een opvallend hoge hartslag krijgen. De piek kwam meestal pas zes tot acht uur nadat de dieren uit zee waren gekomen. Soms liep de hartslag op tot ongeveer 84 slagen per minuut. Het onderzoek is te vinden in Frontiers in Physiology.
Minder zuurstof
Die hoge hartslag lijkt te wijzen op een vorm van uitgesteld herstel. Tijdens lange en diepe duiken moet hun lichaam zuinig omgaan met zuurstof. Het hart en de hersenen krijgen daarbij voorrang, waardoor andere delen van het lichaam tijdelijk met minder zuurstof moeten werken. Daarbij kan melkzuur ontstaan. Ook kunnen er stikstofbelletjes in het bloed ontstaan. Normaal herstellen dieren deels aan het wateroppervlak. Dit onderzoek laat zien dat die rustfase voor pelsrobben mogelijk niet genoeg is om volledig te herstellen.
Leestip: Zeehonden zwemmen wat af: vaak worden landsgrenzen doorkruist om aan voedsel te komen
Teamlid Melissa Walker van Deakin University in Australië zegt: “In ons onderzoek laten we zien dat er bij Kaapse pelsrobben en Australische zeeberen een verband bestaat tussen hun hartslag op zee tijdens het zoeken naar voedsel en hun hartslag op land tijdens rust.” Met andere woorden: hoe groter de belasting op zee is, hoe sneller het hart later op land moet werken.
Duidelijke pieken
De onderzoekers volgden voor het onderzoek twaalf vrouwelijke pelsrobben bij Kleinsee in Zuid-Afrika en bij Kanowna Island in Australië. De dieren kregen een waterdichte hartslagzender, een duikmeter en een radiozender om. Elke tien seconden werd gemeten wat hun hart deed. Zo konden de onderzoekers complete perioden op zee en op land bekijken. Dat leverde meer dan een half miljoen hartslagmetingen op.
Op zee zagen de onderzoekers wat ze verwachtten: tijdens het duiken daalde de hartslag sterk. Dat helpt pelsrobben om zuurstof te besparen. Bij Kaapse pelsrobben zakte de hartslag tijdens de langste en diepste duiken soms kort naar ongeveer 10 slagen per minuut. Australische zeeberen hielden bij lange duiken vaker een stabielere hartslag aan, rond de 20 tot 30 slagen per minuut. Aan het oppervlak ging de hartslag juist omhoog, zodat het zuurstofgehalte weer aangevuld kon worden.
Toen de dieren weer aan wal kwamen gebeurde er iets verrassend: hun hartslag werd niet meteen rustig en voorspelbaar. In plaats daarvan zagen de onderzoekers duidelijke pieken, die soms pas uren later kwamen. Daarna zakte de hartslag naar een rustiger patroon dat past bij dieren die slapen. Dat laat zien dat een pelsrob op het strand dus niet nadrukkelijk aan het lanterfanten is: het lichaam is na een duik nog volop bezig om de gevolgen van het duiken te verwerken.
Mogelijk een voordeel
De onderzoekers maten de melkzuur- en zuurstofgehaltes in het bloed dus niet rechtstreeks. Ze keken vooral naar de hartslag van de dieren, omdat die veel zegt over hoeveel zuurstof en energie een dier gebruikt. Daarom blijven de conclusies voorzichtig. Walker zegt: “Het herstellen van een zuurstoftekort is mogelijk langduriger en ingewikkelder dan eerder werd gedacht. De hogere hartslag op land helpt waarschijnlijk om dat vertraagde herstel mogelijk te maken.”
Volgens haar kan dat een voordeel zijn. “Pelsrobben kunnen daardoor focussen op het vinden van voedsel en het vermijden van roofdieren. Het inhalen van tekorten komt dan later wel: pas op het moment dat ze weer aan wal zijn.”
Dat is belangrijk voor hoe we naar deze dieren kijken. Rustplaatsen op land zijn dus niet alleen plekken waar pelsrobben lekker liggen te slapen. Ze kunnen ook nodig zijn om hun lichaam weer in balans te brengen. Vervolgonderzoek moet uitwijzen welke rol de duikdiepte en de spijsvertering daarbij precies spelen.
We schreven vaker over dit onderwerp, lees bijvoorbeeld ook Deze oeroude zeedieren hadden waarschijnlijk kieuwen op hun poten en Zeeolifantengeheugen: gigantische zeehonden herkennen de stem van hun aartsvijanden jaren later nog steeds . Of lees dit artikel: Wiebelende snorharen maken zeehonden betere jagers: daar kunnen robots wat van leren .
Uitgelezen? Luister ook eens naar de Scientias Podcast:


