Het is een zorgelijke ontwikkeling. Niet in de laatste plaats omdat de geestelijke gezondheidszorg voor kinderen en jongeren al sterk onder druk staat.

De pandemie en daaruit voortvloeiende maatregelen zijn veel kinderen en jongeren niet in de koude kleren gaan zitten, zo blijkt uit een nieuw onderzoek. Het aantal kinderen en jongeren dat met angst en somberte kampt, nam in de eerste lockdown van 2020 behoorlijk toe. En hoewel hun aantallen ten tijde van de tweede lockdown weer iets waren afgenomen, ligt het aantal kinderen en jongeren dat met psychische problemen kampt nog altijd hoger dan vóór de pandemie. En dat is reden tot zorg.

Het onderzoek
De onderzoekers baseren hun onderzoeksresultaten – die vorige week als voorpublicatie gepubliceerd zijn – op een onderzoek onder ouders van Nederlandse kinderen (tussen de 8 en 18 jaar oud). De kinderen kunnen grofweg in twee groepen worden ingedeeld: een ‘gezonde groep’ (bestaande uit kinderen die bij de start van het onderzoek geen mentale zorg kregen) en een ‘klinische groep’ (bestaande uit kinderen die wel mentale zorg kregen). Alle ouders vulden voor de pandemie en in april en november 2020 een vragenlijst in die handelde over de mentale gezondheid van hun kinderen.

De resultaten
Het geeft onderzoekers een goed beeld van hoe het de kinderen in deze voor hen toch ongeëvenaarde periode verging. En dan blijkt dus dat het aantal kinderen met psychische problemen sinds de pandemie is toegenomen. “In de ‘gezonde groep’ zagen we voor de pandemie zorgelijke problemen bij 7.1% van de kinderen en jongeren,” zo vertelt Tinca Polderman, onderzoeker in de kinder- en jeugdpsychiatrie. Dat is in lijn met wat onderzoekers in de afgelopen 20 jaar hebben gezien. “Tijdens de eerste lockdown (april 2020) steeg dit naar 15.6% en tijdens de 2e lockdown (november 2020) was dit gedaald, maar nog steeds anderhalf keer zo veel (10.4%).” In de ‘klinische groep’ maakten ouders opvallend genoeg geen melding van een toename van problemen. “Maar de kinderen zelf rapporteerden wel meer problemen op het gebied van angst en somberte,” stelt Polderman. “De resultaten wijzen er dan ook op dat zowel kinderen en jongeren in de algemene als in de klinische populatie negatief beïnvloed werden door de pandemie,” zo is in de voorpublicatie te lezen.

De resultaten hebben mede-onderzoeker Meike Bartels, hoogleraar gedragsgenetica, niet direct verrast, zo vertelt ze aan Scientias.nl. “Het was lastig te voorspellen wat de effecten zouden zijn, want een wereldwijde pandemie als COVID-19 is in de afgelopen eeuw niet voorgekomen. Onze verwachting was daarom gebaseerd op wat we wel weten en dat is dat er grote individuele verschillen zijn tussen hoe kinderen zich gedragen en op situaties reageren. De pandemie zou voor sommigen daarom wellicht heel lastig zijn, terwijl anderen er beter mee om zouden kunnen gaan, of de nieuwe situatie zelfs prettig zouden kunnen vinden. Onze studieresultaten verrassen daarom niet. Gemiddeld genomen zijn de problemen dus toegenomen, maar er zijn ook verschillen tussen kinderen, oftewel, het gaat niet met alle kinderen slechter.” Sterker nog: het onderzoek wijst ook uit dat het met heel veel kinderen en jongeren goed is gegaan tijdens de pandemie.

Afname
Dat het aantal kinderen en jongeren dat met angst en somberte te maken heeft, tijdens de pandemie is toegenomen, is wel zorgwekkend. Tegelijkertijd stemt het gegeven dat hun aantallen in de loop van de pandemie weer afnamen, ook voorzichtig hoopvol. De grote vraag is echter of de daling doorzet en uiteindelijk weer het niveau van vóór de pandemie bereikt. “Daar we nooit in een dergelijke situatie hebben gezeten, is het lastig om te speculeren over hoe het niveau van problemen zich zal ontwikkelen.”

Waarom zijn kinderen en jongeren sinds de pandemie angstiger en somberder?
Daar is op basis van dit onderzoek niets over te zeggen. Maar afgaand op eerder werk heeft Polderman daar wel ideeën over. “Eerdere studies van ons lieten wel zien dat het verlies van werk en/of inkomen van ouders een impact had op de gevoelens van angst en somberte bij kinderen uit de gezonde populatie. Ook het hebben van een met COVID-19 besmet iemand in de directe omgeving had tijdens het begin van pandemie een effect op deze gevoelens van angst.”

Jeugd-ggz
Polderman en collega’s blijven de kinderen uit het onderzoek volgen en hopen zo ook helder te krijgen of de in de loop van 2020 weer ingezette afname van gevoelens van angst en somberte doorzet. Het is – mede met het oog op de jeugd-ggz wel te hopen – zo stelt Polderman. Want als het aantal kinderen en jongeren met psychische problemen boven het niveau van vóór de pandemie blijft, kan ook het aantal jongeren dat mogelijk professionele zorg nodig heeft, toenemen. “De belangrijkste implicatie is dat er een toename van mentale problemen is in de gezonde populatie en dit kan zich vertalen in een toename van aanmeldingen in de jeugd-ggz. Gezien de reeds aanwezige druk op de jeugd-ggz is dit mogelijk een zorgelijke ontwikkeling.”

Tegelijkertijd benadrukken de onderzoekers ook dat niet elk kind of elke jongere met een toename van mentale problemen direct een beroep op de jeugd-ggz zal doen. “Er is heel veel mogelijk om op te vangen thuis, op school, met vrienden, door inloopplekken of online platforms waar jongeren elkaar helpen, etcetera,” aldus onderzoeker Arne Popma, hoogleraar kinder- en jeugdpsychiatrie. “Er zijn heel veel mooie initiatieven ontstaan of versterkt tijdens de pandemie, het is belangrijk dat we die nu verduurzamen, want ook vóór de pandemie zagen we al dat we met het huidige systeem te weinig kinderen en jongeren op tijd met de juiste ondersteuning en zorg bereiken.”

Wetenschappers houden de komende tijd de vinger aan de pols. En ook ouders en verzorgers doen er goed aan om de mentale gezondheid van hun kinderen – ook nu we pandemie-technisch in wat rustiger vaarwater lijken te zijn beland – in de gaten te houden. Maar hoe doe je dat? “Het is altijd belangrijk om het gesprek aan te gaan als ouders veranderingen in het gedrag van het kind zien,” vertelt Polderman. “Om door te vragen of het echt goed gaat. Of om je als volwassene ook kwetsbaar op te stellen en te laten zien dat je over gevoelens kan praten.”