Eindelijk komen er – na decennialang onderzoek – binnenkort vaccins en antistoffen op de markt die ernstige ziekte door het RS-virus kunnen voorkomen.

Het was schrikken, toen de IC’s tijdens de pandemie zo vol lagen dat sommige coronapatiënten naar het buitenland moesten worden overgeplaatst. Wat maar weinigen echter weten, is dat kinderartsen bijna elk jaar met volle kinderafdelingen en kinder-IC’s kampen en het bijna elke winter wel voorkomt dat zieke kinderen vanwege ruimtegebrek naar België of Duitsland moeten worden overgeplaatst. De boosdoener is niet corona, maar het respiratoir syncytieel virus, beter bekend als het RS-virus.

Het RS-virus
“Het is een verkoudheidsvirus dat elk kind voor de tweede verjaardag krijgt,” vertelt arts-onderzoeker Natalie Mazur. Het ziekteverloop verschilt van kind tot kind. “Soms is het simpelweg een onschuldige verkoudheid, met wat snot en hoesten. Maar als het virus dieper de longen in zakt, kunnen kinderen benauwd worden en een longontsteking ontwikkelen. En in het ergste geval is het dan zelfs nodig om hun ademhaling te ondersteunen of zuurstof toe te dienen.”

2000 patiëntjes
In Nederland is het RS-virus de belangrijkste oorzaak van ziekenhuisopnames van kinderen. “Elk jaar belanden ongeveer 2000 kinderen met het RS-virus in het ziekenhuis. En op de IC worden er zo’n 200 kinderen met het RS-virus behandeld.” Gelukkig knappen de meeste kinderen uiteindelijk weer op. “In Nederland vinden bijna geen overlijdens door het RS-virus plaats.”

In het buitenland ligt dat echter anders. “Het RS-virus is wereldwijd gezien, na malaria de belangrijkste doodsoorzaak. Dat komt vooral doordat in ontwikkelingslanden geen intensive care voorhanden is.”

Geen behandeling
Een behandeling is er niet tegen het RS-virus. “Het enige wat we kunnen doen, is het ondersteunen van de ademhaling en eventueel toedienen van zuurstof. Daarnaast wordt er soms voor gekozen om voeding via een sonde toe te dienen, zodat heel zieke kinderen daar geen energie aan hoeven te besteden.”

Preventief
Een behandeling is er dus niet, maar wat wetenschappers – na decennialang onderzoek – nu wel binnen handbereik brengen, zijn antistoffen en vaccins die de kans op ernstige ziekte aanzienlijk verkleinen. Zo is de verwachting dat er binnen 12 maanden een nieuw monoklonaal antistof tegen het RS-virus op de markt komt. Daarnaast zijn er verschillende vaccins tegen het virus in ontwikkeling die – als ze ook de laatste fase van klinisch onderzoek goed doorkomen – niet lang daarna beschikbaar zullen komen.

Er wordt al decennialang onderzoek gedaan naar preventieve behandelingen tegen het RS-virus. Met wisselend resultaat. “Zo werd er in de jaren zestig van de vorige eeuw een vaccin ontwikkeld dat tijdens klinisch onderzoek geen bescherming bleek te bieden tegen het RS-virus, maar er juist voor zorgde dat kinderen zieker werden van het virus. Twee kinderen kwamen zelfs te overlijden en daarna durfde men eigenlijk niet meer door te gaan met de vaccinontwikkeling.” Dat er nu – meer dan een halve eeuw later – meerdere vaccinkandidaten en antistoffen op het punt staan om op de markt te komen, komt volgens Mazur doordat er met name de laatste decennia grote stappen zijn gezet. “We zijn het oppervlak van het virus beter gaan begrijpen. En dus begrijpen we nu ook beter hoe we de afweer aan kunnen zetten. En dat is heel belangrijk geweest voor de ontwikkeling van de huidige kandidaatvaccins.”

Op dit moment zijn er maar liefst 33 preventieve behandelingen tegen het RS-virus in ontwikkeling, waaronder dus verschillende vaccins en monoklonale antistoffen. Met een vaccin zijn de meesten van ons wel bekend. Vaak herbergt het een stukje van een virus of een verzwakte variant van een virus. Zodra ons afweersysteem na vaccinatie met dat (stukje) virus in aanraking komt, maakt het afweerstoffen tegen het virus aan. En zodra je het virus dan daadwerkelijk ontmoet, kunnen die afweerstoffen het direct onschadelijk maken en zo voorkomen dat je ernstig ziek wordt. “Een vaccin zet dus eigenlijk je afweer aan,” stelt Mazur. “En vaak heb je daar je leven lang profijt van.” Een monoklonale antistof werkt net iets anders. “Het is geen onderdeel van een virus, maar is al afweer.” Dus waar je lichaam na toediening van een vaccin zelf aan de slag moet om afweercellen te maken, krijg je de antistoffen bij toediening van een monoklonale antistof gewoon cadeau. “Je dient antistoffen toe. Het nadeel daarvan is echter dat ze wel vrij snel worden afgebroken en vaak maar een maand in het lichaam te vinden zijn.” En toch kan toediening van monoklonale antistoffen in de strijd tegen het RS-virus heel waardevol zijn. “Wat we zien is dat jonge kinderen – jonger dan zes maanden – de grootste kans hebben om ernstig ziek te worden door het RS-virus. Maar dit zijn ook de kinderen die nog een onrijp afweersysteem hebben, dat je niet zo goed kunt activeren. Daarom kan het effectiever zijn om ze de kant en klare antistoffen te geven.”

Een andere veelbelovende aanpak is het – eveneens in ontwikkeling zijnde – maternale vaccin. “Hierbij worden vrouwen tijdens hun zwangerschap gevaccineerd tegen het RS-virus. En zo zetten we dus de afweer van de moeder aan. Die gaat vervolgens antistoffen aanmaken, die via de placenta ook doorgegeven worden aan het kind.” Hierdoor is het kind direct vanaf de geboorte al beschermd. “Men is al vrij ver met de ontwikkeling van dit vaccin,” weet Mazur, die recent samen met collega’s in het blad The Lancet Infectious Diseases uit de doeken deed waar het onderzoek naar preventieve behandelingen tegen het RS-virus precies staat. “De verwachting is nu dat het monoklonale antistof als eerste de markt op komt, niet lang daarna gevolgd door het maternale vaccin. Daarnaast zitten er ook meerdere vaccins voor ouderen in de pijplijn (zie kader, red.).”

Het RS-virus treft niet alleen kinderen. Ook ouderen kunnen er heel ziek van worden. “Sinds kort weten we zelfs dat het net zo’n groot probleem is als de griep,” aldus Mazur. Daarom wordt er ook onderzoek gedaan naar RS-vaccins speciaal voor ouderen. Drie daarvan bevinden zich al in de derde (en dus laatste) fase van klinisch onderzoek.

Dat de ontwikkeling van vaccins en antistoffen tegen het RS-virus een enorme impact kan gaan hebben, staat vast. “We weten dat ze doorgaans een effectiviteit hebben van 70 tot 80 procent. Dat betekent dat we met deze middelen in de toekomst 8 op de 10 ziekenhuisopnames kunnen voorkomen.” Tenminste: in de westerse wereld. Want daarbuiten zal er – ook als deze middelen straks op de markt zijn – nauwelijks iets veranderen. “Alles wat wij nu aan preventieve behandelingen aan zien komen, zal nooit beschikbaar komen in ontwikkelingslanden,” voorspelt Mazur. Simpelweg omdat de vaccins en monoklonale antistoffen veel te duur zijn. Het is pijnlijk. Temeer omdat daar de meeste dodelijke slachtoffers vallen; van de meer dan 100.000 kinderen onder de vijf die elk jaar aan het RS-virus overlijden, is zo’n 97 procent afkomstig uit lage- en middeninkomenslanden. Dat de preventieve behandelingen uiteindelijk niet terechtkomen op de plekken waar ze het hardst nodig zijn, is volgens Mazur “ethisch niet oké”. Maar we hoeven ons daar niet bij neer te leggen; er zijn manieren denkbaar om de vaccins en antistoffen ook in armere landen beschikbaar te maken. “Je zou bijvoorbeeld geld kunnen investeren in onderzoek naar een goedkopere productie van monoklonale antistoffen. Of kunnen onderzoeken of je de antistoffen in plaats van via een prik (die vaak koel bewaard moet blijven en daardoor ongeschikt is voor toepassing in gebieden met een gebrekkige infrastructuur of elektriciteitsnetwerk, red.) ook via een neusspray toe kunt dienen.”

De ontwikkeling van vaccins en antistoffen tegen het RS-virus brengt dus nieuwe uitdagingen met zich mee. Toch overheerst op dit moment de vreugde dat er – na decennialang onderzoek – eindelijk manieren ophanden zijn om kinderen (en ouderen) tegen het soms levensgevaarlijke virus te beschermen. “Veel van wat nu ontwikkeld wordt, ziet er veelbelovend uit,” stelt Mazur. “En dat is iets wat we nog niet eerder gezien hebben.”