Grootouders die regelmatig op hun kleinkinderen passen, hebben een scherper geheugen en betere taalvaardigheden dan grootouders die dat niet doen. Maar er is een opvallend verschil tussen opa’s en oma’s.
Oppassen op de kleinkinderen: sommige grootouders doen het met plezier, anderen zien het als een verplichting. Maar los van hoe je erover denkt, lijkt het je hersenen goed te doen. Dat ontdekten onderzoekers van de Tilburg University.
De onderzoekers keken tijdens hun onderzoek naar de gegevens van zo’n 1.700 Britse grootouders en volgden hen gedurende meerdere jaren. Uit het eindresultaat blijkt dat grootouders die zorgen voor hun kleinkinderen beter scoren op geheugentests en woordvloeiendheid dan grootouders die niet oppassen. Om een eerlijke vergelijking te maken, koppelden de onderzoekers de oppasgroep aan een vergelijkbare groep grootouders die niet op hun kleinkinderen pasten, met dezelfde achtergrondkenmerken zoals gezondheid, leeftijd en opleidingsniveau.
Oma’s aan de top
Zowel oma’s als opa’s scoorden beter, maar opvallend genoeg zagen de onderzoekers enkel bij oma’s een langzamere achteruitgang van het denkvermogen over de tijd. Bij opa’s verliep de cognitieve achteruitgang even snel als bij de controlegroep.
Yvonne Brehmer, medeauteur van de studie, vertelt aan Scientias.nl dat de onderzoekers nog niet weten hoe dit komt. “Op dit moment weten we niet waarom zorgverlening niet samenhing met betere cognitieve uitkomsten bij grootvaders. Het blijft een open vraag of de zorg voor hen te veeleisend is, of dat hun rol simpelweg meer perifeer is en daardoor minder cognitief of emotioneel uitdagend.”
Niet het aantal uren telt
Misschien nog verrassender: het maakt niet uit hoeveel je oppast. Of je nu een keer per maand of meerdere dagen per week voor je kleinkinderen zorgt: de onderzoekers vonden geen verband tussen de hoeveelheid oppasuren en cognitieve gezondheid.
Brehmer was hier zelf verbaasd over. “Als zorgverlening grootouders ten goede komt, liggen die voordelen mogelijk minder in specifieke taken of intensiteit, en meer in de bredere ervaring van betrokken zijn bij de zorg.”
Wat wél uitmaakt is de kwaliteit van de tijd die je doorbrengt. Grootouders die vaak speelden met hun kleinkinderen of hen hielpen met huiswerk, scoorden beter op geheugen- en taaltests. Ook bleek variatie belangrijk: hoe meer verschillende activiteiten grootouders ondernamen, hoe beter hun cognitieve scores.
Waarom werkt het?
Wat maakt oppassen zo goed voor het brein? “De zorg voor kleinkinderen kan op latere leeftijd een extra, zeer betekenisvolle sociale rol bieden. Die rol kan gepaard gaan met positieve emotionele ervaringen, meer lichamelijke activiteit en een grotere cognitieve betrokkenheid bij alledaagse taken”, zegt Brehmer.
Daarnaast speelt de positie binnen de familie mogelijk een rol. “Zorgverlening kan grootouders een centralere positie geven binnen het familienetwerk, waardoor sociale integratie en toegang tot sociale steun worden versterkt. Elk van deze factoren – of waarschijnlijker: hun combinatie – zou kunnen bijdragen aan de cognitieve voordelen die we waarnemen.”
Selectie-effect
De onderzoekers maken wel duidelijk dat ze geen oorzakelijk verband kunnen bewijzen. Het is mogelijk dat grootouders met een beter brein simpelweg vaker worden gevraagd om op te passen, of dat zij zich fitter voelen om die taak op zich te nemen.
Brehmer bevestigt dat dit het geval kan zijn: “Zelfs nadat zorgverlenende en niet-zorgverlenende grootouders waren gematcht op achtergrondkenmerken en gezondheid, hadden zorgverlenende grootouders een hoger cognitief functioneren bij aanvang. We weten echter niet wat deze initiële verschillen verklaart.”
Oppassen moet geen verplichting worden
Wel staat vast dat oppassen op kleinkinderen geen negatieve gevolgen lijkt te hebben voor je cognitie, zolang het niet als een last wordt ervaren. Gedwongen of overmatige zorg zou juist stress kunnen veroorzaken. Brehmer nuanceert, door te zeggen dat ‘overmatig’ per persoon kan verschillen: “Iemand die vijf dagen per week zorg verleent kan dit bijvoorbeeld als zeer vervullend ervaren, terwijl iemand die slechts af en toe oppast het als stressvol of verplicht kan beleven. Dit suggereert dat vrijwilligheid en aansluiting bij de eigen voorkeuren van grootouders cruciaal kunnen zijn.”
Niet de enige weg naar een gezond brein
In vergrijzende samenlevingen brengen mensen een steeds groter deel van hun leven door als grootouder. Maar Brehmer wil voorkomen dat grootouders zich onder druk gezet voelen. “Uit onze lopende dataverzameling in Nederland blijkt al dat niet elke grootouder kleinkinderzorg wil verlenen, en dat sommigen hun tijd liever anders besteden – en dat moet worden gerespecteerd.”
De kernboodschap is dan ook breder dan alleen kleinkinderen. “Onze bevindingen impliceren niet dat grootouders die geen kinderopvang bieden in het nadeel zijn. Wat waarschijnlijk het meest telt, is hoe mensen hun tijd in het algemeen besteden en of hun activiteiten betrokkenheid en voldoening bieden.”
We schreven vaker over dit onderwerp, lees bijvoorbeeld ook Grootouders houden niet evenveel van hun kleinkinderen en Wetenschappers vragen mensen met en mensen zonder kinderen hoe bang ze zijn voor klimaatverandering en de antwoorden zijn verrassend. Of lees dit artikel: Wat is de invloed van jouw opvoeding op hoe jij zelf met je kinderen omgaat?.
Uitgelezen? Luister ook eens naar de Scientias Podcast:


