De opmerkelijke ‘handstand’ maakt onderdeel uit van de unieke jachtmethode van de vis. En nu helpen nieuwe modellen deze bijzondere positie verklaren.

Toen een Zuid-Afrikaanse visser in 1938 per toeval een coelacant in zijn net aantrof, was het alsof hij een levende dinosaurus had gevonden. De ontdekking zorgde niet heel verwonderlijk voor heel wat opschudding, aangezien wetenschappers in de veronderstelling waren dat deze vis al zo’n 66 miljoen jaar geleden was uitgestorven. Het bleef overigens niet bij één coelacant. Sinds 1938 zijn er wereldwijd nog ongeveer 300 coelacanten gevangen. Onderzoekers hebben zich nu in een nieuwe studie over de overblijfselen van een intact exemplaar gebogen die in Deens museum bewaard wordt, in een poging meer over deze buitengewoon zeldzame en ongrijpbare diepzeebewoners te openbaren.

Meer over de coelacant
Coelacanten zijn een familie van zeldzame kwastvinnige vissen, waartoe twee nog levende soorten behoren – Latimeria chalumnae leeft voor de kust van Oost-Afrika en Latimeria menadoensis is te vinden nabij Indonesië. De oudst bekende coelacant-fossielen zijn meer dan 410 miljoen jaar oud, wat betekent dat het bijzonder primitieve dieren zijn. Coelacanten worden ongeveer twee meter lang en wegen tot 100 kilogram. Ondanks dat vaak wordt gezegd dat deze vissen ‘levende fossielen’ zijn bewees een studie vorig jaar het tegendeel.

Omdat ondertussen al veel coelacanten zijn ontleed, is zijn anatomie geen geheim meer. Veel minder is er bekend over de fysiologie van deze vis – de manier waarop hij functioneert.

Mysterie
“Deze vis is iconisch, uiterst zeldzaam en nog altijd gehuld in mysterie,” stelt onderzoeker Peter Rask Møller. “Hij is lastig levend te observeren, omdat hij in onderwatergrotten woont, op zo’n 150 tot 200 meter diep. Daarnaast zijn een groot deel van de weinige exemplaren die in de loop van de jaren zijn verzameld, aan stukken gesneden. Daarom hadden we nieuwe methoden nodig om meer te weten te komen over zijn levensstijl.”

Studie
In het Deense Zoologisk Museum – een natuurhistorisch museum in Kopenhagen – wordt al 60 jaar een coelacant tentoongesteld, bekend als ‘exemplaar nummer 23’. En nu kregen onderzoekers toestemming om dit bijzondere exemplaar, dat al decennia in alcohol bewaard wordt, aan een grondige inspectie te onderwerpen. Het team haalde de vis door CT- en MRI-scanners om zo de vis te bestuderen zonder ‘m te beschadigen.

Onderzoekers Peter Rask Møller en Henrik Lauridsen halen de coelacanth door de CT-scanner. Afbeelding: Henrik Lauridsen

De nieuw vervaardigde modellen helpen onder andere de opmerkelijke ‘handstand’ van de coelacant te verklaren. Deze positie maakt deel uit van de unieke jachtmethode van deze vis, waarbij een hongerige coelacant langzaam en verticaal langs de zeebodem drijft, met zijn hoofd en snuit naar beneden. Vervolgens gebruikt hij een elektrogevoelig orgaan om de bodem te scannen op prooien.

Handstand
Een prangende vraag is echter hoe de coelacant deze kunstige handstand precies voor elkaar krijgt. En daar lijken de onderzoekers nu een antwoord op te hebben. “We ontdekten dat de coelacant over een bijzonder skelet beschikt, met veel botmassa in de kop en staart, terwijl hij bijna geen wervels heeft,” legt onderzoeker Henrik Lauridsen uit. “Dit is vrij uniek. De zwaarste delen zitten dus aan beide uiteinden van de vis, wat het gemakkelijker maakt om op de kop te zwemmen.”

Voortplanting
Het onderzoek onthult dus hoe de mysterieuze coelacant schijnbaar moeiteloos op zijn kop kan gaan staan. Ondanks dat dit ons enigszins meer inzicht geeft in deze raadselachtige diepzeebewoners, valt er nog genoeg te ontdekken. Zo bestaan er nog veel vragen over onder andere de voortplantingscyclus van de coelacant. Een bijzonder kenmerk is bijvoorbeeld dat vrouwtjes maar liefst vijf jaar lang drachtig zijn en vervolgens levende jongen baren. Maar niemand weet precies wáár ze bevallen.

Behoud
De Deense onderzoekers hopen daar nu op korte termijn meer over te weten te komen. “Door de verdeling van bot en vet in een foetus te analyseren, kunnen we waarschijnlijk achterhalen op welke diepte de jongen het beste gedijen,” verklaart Lauridsen. Deze kennis is niet alleen belangrijk om meer over coelacanten te leren, het is ook cruciaal voor het behoud van deze ernstig bedreigde soort. “Als we niet weten waar ze leven, weten we ook niet waar we ze moeten beschermen,” gaat de onderzoeker verder. “En er is reden tot zorg. Coelacanten hebben een ongelooflijk trage reproductiesnelheid, wat ze extra kwetsbaar maakt.”

Op dit moment staat de Indonesische coelacant op de internationale Rode Lijst van de IUCN vermeld als ‘ernstig bedreigd’. Daarom kan het uitbreiden van onze kennis over deze zeldzame vissen helpen om ze voor uitsterven te behoeden. Nieuwe coelacanten vangen kan deze bedreigde vis echter verder in het nauw drijven. En daarom zijn museumexemplaren zo belangrijk. “In plaats van nieuwe coelacanten te vangen – die zowel zeldzaam als beschermd zijn – hebben moderne scan-technieken ons in staat gesteld opwindende nieuwe analyses uit te voeren,” zegt Rask Møller. Het doel is om tijdens toekomstig onderzoek dezelfde technieken ook op andere goed bewaarde exemplaren toe te passen.