Je ziet ze niet, maar toch zouden we niet zonder ze kunnen: kleine zoogdieren. Maar hoe houdt je al die verschillende soorten uit elkaar, zelfs als ze nagenoeg hetzelfde ogen? Daar denken onderzoekers nu het antwoord op gevonden te hebben.
Kleine zoogdieren blijven vaak het liefst onopgemerkt, waardoor je ze niet zo vaak ziet. Toch zijn ze ongelofelijk belangrijk voor de natuur. Kleine zoogdieren reageren namelijk heel snel op veranderingen in de omgeving, waardoor hun gedrag kan dienen als een aanwijzing dat een ecosysteem onder druk staat.
Maar er is een probleem: veel soorten lijken onderling zó op elkaar dat je in het veld bijna niet kan zien welke je voor je hebt. Nu laten onderzoekers zien dat het ook anders kan: met foto’s van pootafdrukken konden ze twee bijna identieke soorten uit de familie van de Springspitsmuizen (ook wel sengi’s genoemd) met 96 procent zekerheid uit elkaar houden. Het onderzoek is te vinden in Frontiers in Ecology and Evolution.
Cryptische soorten
Sengi’s zijn kleine, snelle zoogdieren uit Afrika met een lange, beweeglijke snuit. Ze zijn interessant voor biologen omdat ze als een ‘indicatorsoort’ kunnen werken: als hun gedrag verandert kan dat iets zeggen over de kwaliteit van het leefgebied.
In dit onderzoek ging het om twee zogenoemde ‘cryptische’ soorten: de oostelijke rotssengi (Elephantulus myurus) en de Zuid-Afrikaanse olifantspitsmuis (Elephantulus intufi). Ze zijn onderling bijna niet van elkaar te onderscheiden. Toch leven ze in verschillende gebieden. De ene soort zit vooral in rotsige gebieden met spleten en stenen, de andere juist in opener terrein met losse zandgrond.
Leestip: Wetenschappers geschokt door bloeddorstige eekhoorns, die liever een muis eten dan een beukennootje
Dat verschil is belangrijk, zegt teamlid Zoë Jewell van Duke University. “We hadden twee belangrijke redenen om dit onderzoek te doen,” vertelt ze. “Ten eerste wilden we een betere en ethischere manier vinden om zelfs de kleinste soorten mee te volgen. En ten tweede zochten we een betrouwbare maat voor de ‘gezondheid’ van ecosystemen, die je vaak en makkelijk kunt gebruiken.”
Duur en ingrijpend
Normaal gesproken is het bij zulke cryptische gevallen vaak nodig om DNA te gebruiken. Dat kost niet alleen veel tijd en geld, maar is ook voor het dier niet prettig. “Vaak kun je cryptische soorten alleen met een DNA-test uit elkaar houden, en dat kan langzaam, ingrijpend en duur zijn,” legt Jewell uit. “Toch wil je als bioloog heel precies weten om welke soort het gaat. Soorten spelen onderling vaak een andere rol in de natuur en staan daarbij aan andere risico’s bloot.”
De onderzoekers zochten daarom naar een methode die diervriendelijker is en die toch veel kan zeggen over een diersoort. Ze kwamen uit bij de pootafdrukjes. Want hoe vergelijkbaar dieren ook zijn, vaak verschillen hun poten genoeg om net iets andere pootafdrukken achter te laten. Om dat te ontdekken vingen de onderzoekers dieren op twee locaties in Zuid-Afrika: Telperion Nature Reserve en Tswalu Kalahari Reserve. Daarbij gebruikten ze vallen met lokaas en zorgden ze ervoor dat de vallen geïsoleerd stonden, zodat de dieren zo min mogelijk stress hadden.
Vervolgens gingen de sengi’s kort in een speciale ‘SMaRT box’: een houten kastje met op de bodem plakpapier en aan beide uiteinden een dun laagje houtskoolpoeder. Zo liep het dier door het poeder en zette het duidelijke stappen op het papier. Daarna werd het dier meteen weer vrijgelaten op de plek waar het was gevangen.
Computermodel
Van de afdrukken maakten de onderzoekers foto’s met een meetlat erbij. Daarna haalde een computerprogramma allerlei meetgegevens uit de beelden: lengtes, hoeken en oppervlakken van de afdruk. Voor deze twee soorten bleken vooral de afdrukken van de voorpoten het meest bruikbaar, omdat die het duidelijkst en het meest consistent waren.
In totaal selecteerden de onderzoekers negen kenmerken die samen het beste resultaat leverden. Met een statistische classificatiemethode (een rekenmodel dat patronen herkent) kwamen ze uit op een nauwkeurigheid van grofweg 94 tot 96 procent, zelfs als je maar één goede afdruk gebruikt.
Volgens de onderzoekers kan deze aanpak op termijn helpen om kleine zoogdieren beter te volgen, zonder telkens dieren te moeten vangen. Dat is extra relevant omdat er simpelweg heel veel kleine zoogdiersoorten bestaan: het gaat om een groep die ruwweg 30 tot 40 procent van alle zoogdiersoorten omvat. Jewell: “kleine zoogdieren leven in bijna elk ecosysteem op aarde. Onze techniek is flexibel genoeg om zich aan al die systemen aan te passen.”
We schreven vaker over dit onderwerp, lees bijvoorbeeld ook Wetenschappers creëren muizen met een ‘hybride brein’ dat deels muis, deels rat is (en dat biedt wellicht ook interessante mogelijkheden voor ons) en Doorbraak in stamcelonderzoek: muis met twee vaders is volwassen geworden . Of lees dit artikel: Bizarre beelden: valse weduwe vangt spitsmuis in haar web (en slurpt het arme beest vervolgens als een smoothie naar binnen) .
Uitgelezen? Luister ook eens naar de Scientias Podcast:


