Op oude begraafplaatsen worden vaak ook opvallend vaak resten van zuigelingen teruggevonden. En veelal wordt dan ook geconcludeerd dat de babysterfte vroeger heel hoog lag. Maar dat is waarschijnlijk onterecht.

“In de archeologie wordt om meer te weten te komen over de kindsterfte, vaak gekeken naar het aantal overleden kinderen,” legt onderzoeker Clare McFadden uit. Het leidt tot bijzonder schokkende conclusies. “Er was een aanname dat bijna de helft – zo’n 40 procent – van alle baby’s in prehistorische populaties in hun eerste levensjaar stierf.”

Demografische data
Maar klopt het dramatische verhaal dat deze prehistorische begraafplaatsen ons lijken te vertellen wel? Of begrijpen we het verkeerd? Om dat te kunnen achterhalen, heb je eigenlijk demografische gegevens nodig. Maar die zijn er niet voor de prehistorie. En dus boog McFadden zich over demografische gegevens die in de afgelopen eeuw in 97 verschillende landen zijn verzameld. Ze keek daarbij onder meer naar zuigelingensterfte en vruchtbaarheidscijfers. De analyse wijst uit dat het vruchtbaarheidscijfer een veel grotere invloed had op het aantal overleden baby’s dan het zuigelingensterftecijfer. In andere woorden: wanneer er veel baby’s sterven, betekent dat niet automatisch dat ook het percentage baby’s dat niet ouder wordt dan 1 jaar heel hoog ligt. In plaats daarvan kan het grote aantal sterfgevallen onder baby’s simpelweg verklaard worden door het feit dat er heel veel baby’s geboren worden.

Prehistorie
Hetzelfde geldt waarschijnlijk voor de prehistorie, zo stelt McFadden. En wanneer we op oude begraafplaatsen opvallend veel resten van baby’s terugvinden, wil dat dus niet zeggen dat in die tijd de zuigelingensterfte heel hoog lag. “Het is geen bewijs dat er veel baby’s stierven, maar vertelt ons juist dat er heel veel baby’s geboren werden.”

Haaks
Het staat haaks op de verklaring die totnogtoe vaak gegeven wordt voor het relatief grote aantal jonge kinderen dat op oude begraafplaatsen wordt aangetroffen. “Lang werd aangenomen dat wanneer er veel baby’s op een begraafplaats werden teruggevonden, de zuigelingensterfte heel hoog moet zijn geweest. En velen namen vervolgens aan dat de zuigelingensterfte in het verleden zo hoog lag door de afwezigheid van moderne gezondheidszorg. Maar wanneer we naar deze begraafplaatsen kijken, vertellen ze ons dus eigenlijk meer over het aantal kinderen dat geboren werd en heel weinig over het aantal baby’s dat stierf en dat staat haaks op eerdere percepties.”

Prehistorische moeders
Daarnaast kan het onderzoek ook onze kijk op de prehistorische moeders wel eens radicaal veranderen. “Als moeders in die tijd zoveel kinderen kregen, dan lijkt het heel redelijk om te suggereren dat ze ook heel goed in staat waren om voor hun jonge kinderen te zorgen.”

McFadden vindt het belangrijk om dat laatste expliciet te benoemen en hoopt dat haar studie ertoe leidt dat onze voorouders wat menselijker voor ons worden. “In artistieke impressies en de popcultuur worden onze voorouders vaak afgeschilderd als archaïsche en incapabele mensen en we vergeten zo hun emotionele ervaringen en reacties, zoals het verlangen om voor anderen te zorgen en gevoelens van rouw die tienduizenden jaren geleden speelden.” Daarnaast mag er ook wel meer aandacht komen voor de rol van (pre)historische vrouwen, vindt McFadden. “We horen veel verhalen over conflicten tussen mannen en in verhalen over kolonisaties en expansies ligt de focus ook vaak op mannen. Ik denk dat het heel belangrijk is om ook de verhalen van vrouwen uit het verleden te vertellen en te spreken over hoe zij dingen ervoeren, zoals de rol die ze in hun gemeenschap en als moeder speelden.”