Je hersenen werken tot je zestigste even snel. Toch duurt het nemen van een beslissing langer naarmate je ouder wordt.

Denken ouderen trager dan jongeren? Dat is wel het beeld dat uit een paar decennia aan psychologisch onderzoek naar voren komt. Leg mensen een testje voor waarbij ze hun hersenen moeten gebruiken en een twintiger komt een stuk vlotter met antwoorden dan iemand van rond de zestig.

Maar waar zit hem dat in? Niet in hoe snel de hersenen hun werk doen, stellen Mischa von Krause, Stefan Radev en Andreas Voss van de Ruprecht-Karls-Universiteit in Heidelberg.

Mentale snelheid

Die conclusie trekken Von Krause en collega’s uit een flinke hoeveelheid data: die van 1,2 miljoen mensen die online een zogenoemde impliciete associatietest (IAT) invulden. Dat is een bekend psychologisch testje waarbij je met je linker- en rechterhand woorden of plaatjes in categorieën moet indelen. Meestal wordt de IAT gebruikt om onbewuste vooroordelen aan het licht te brengen – maar daar ging het de Duitse wetenschappers niet om. Zij keken puur naar de gemiddelde tijd die de deelnemers nodig hadden om een keus te maken.

Nu gebeuren er eigenlijk allerlei dingen in de een à twee seconden tussen het zien van een woord en het indrukken van een toets. Allereerst moeten je hersenen natuurlijk daadwerkelijk het antwoord bedenken. Daar speelt de zogenoemde mentale snelheid een cruciale rol. Dan volgt een kort moment waarin je je afvraagt ‘heb ik het wel goed?’ Tot slot is er de tijd die je nodig hebt om het antwoord daadwerkelijk in te voeren; om je keuze te vertalen naar een druk op de knop. De reactietijd is dan de optelsom van die drie processen.

Neurale netwerken

Om de reactietijden ‘op te hakken’ in die drie onderdelen, gebruikten Von Krause en zijn team het zogenoemde diffusiemodel voor besluitvorming. Dat werkt voor keuzes die aan een aantal voorwaarden voldoen: je moet de keus hebben uit precies twee opties, om je besluit te nemen is maar één denkstap nodig (geen hele redenering dus), en het hele proces moet gemiddeld niet meer dan 1 tot 1,5 seconden in beslag nemen. De IAT voldoet prima aan al die voorwaarden.

Probleem is alleen dat het voor een computer een flinke klus is om dat diffusiemodel toe te passen op reactietijden. Zeker als je er daarvan meer dan een miljoen hebt. “Om toch resultaten te krijgen uit onze enorme hoeveelheid data, moesten we een nieuwe methode gebruiken, gebaseerd op kunstmatige neurale netwerken”, vertelt Von Krause. “Die trainden we eerst met behulp van simulaties. Daarna lieten we ze los op onze echte gegevens.”

Hoe ouder, hoe twijfelender

Uit de grafiekjes in de wetenschappelijke publicatie over de studie blijkt allereerst dat, zoals verwacht, de reactietijd met leeftijd toeneemt tussen twintig en zestig jaar oud. Maar: de mentale snelheid blijft min of meer gelijk in diezelfde periode. Voor zover er een piekje te zien is, zit dat niet bij de twintigjarigen, maar rond de dertig. Pas richting de zestig, en vooral bij nog hogere leeftijden, doen de hersenen er duidelijk langer over om tot een antwoord te komen.

Waar zit hem die langere reactietijd dan wel in? Ten eerste geldt, vanaf je twintigste: hoe ouder je bent, hoe langer je over het antwoord twijfelt dat je hersenen hebben opgehoest. (Tieners twijfelen trouwens ook langer dan iemand van twintig.) Ten tweede doen mensen er vanaf pakweg hun vijftiende steeds langer over om het gekozen antwoord in te voeren naarmate ze ouder worden.

Ook andere leeftijden

Deze resultaten komen trouwens niet helemaal uit de lucht vallen. Eerder onderzoek leverde vergelijkbare resultaten op, maar daarbij ging het om gemiddeld zo’n zestig proefpersonen per studie. Een groter aantal zou al gauw te veel computerkracht hebben gevergd – althans, zonder de neurale netwerken die Von Krause en zijn team konden inzetten.

Bovendien werden voor eerdere studies meestal maar twee groepen vergeleken: studenten van voor in de twintig en zestigplussers. De nieuwe studie bekeek data van mensen tussen de tien en de tachtig. Die geeft dus ook een beeld van wat er bij andere leeftijden gebeurt in onze hersenen als we een keuze moeten maken.

En hoe nu verder? “Het zou zeker interessant zijn om onze onderzoeksvragen te repliceren door naar andere taken te kijken”, zegt Von Krause. “Maar voor zover ik weet zijn er geen andere datasets die daar groot genoeg voor zijn.”