Dat blijkt uit een nieuw rapport van het Rathenau Instituut, waarin tevens te lezen is dat het vertrouwen in de wetenschap licht gestegen is ten opzichte van de vorige meting, uitgevoerd in het jaar 2021.
Het Rathenau Instituut vraagt sinds 2012 ongeveer elke drie jaar aan een grote, voor de Nederlandse bevolking representatieve, groep Nederlanders hoeveel vertrouwen ze hebben in de wetenschap – en verschillende aspecten daarvan. Aangezien de laatste meting alweer uit 2021 stamde, was het begin dit jaar tijd voor een nieuwe enquète. Meer dan 8300 mensen vulden deze in en het Rathenau Instituut heeft de resultaten vandaag gepubliceerd.
Lichte stijging
Het onderzoek onthult onder meer dat het vertrouwen in de wetenschap licht gestegen is. Gemiddeld geven Nederlanders hun vertrouwen in de wetenschap als kennisinstituut een 7.53 op een schaal van 1 tot 10. In 2021 was dat nog een 7.42.
Tweede Kamer, televisie en rechtspraak
De onderzoekers vroegen de Nederlanders echter niet alleen naar hun vertrouwen in de wetenschap, maar ook naar hun vertrouwen in andere instituten, zoals vakbonden, de Tweede Kamer en grote ondernemingen. Maar die blijken allemaal (veel) minder vertrouwen te genieten dan de wetenschap. Zo krijgt het vertrouwen in de rechtspraak een 6.6 en moeten kranten en televisie het met respectievelijk een 5.65 en 4.83 doen. Ook de Tweede Kamer blijft op een 4.83 hangen; net boven de grote ondernemingen, die een 4.35 scoren. Het vertrouwen in de regering komt niet verder dan een 4.33. Wat opvalt, is dat terwijl het vertrouwen in de wetenschap licht stijgt, het vertrouwen in alle andere onderzochte instituten juist daalt. De grootste daling zien onderzoekers bij de regering; het vertrouwen ligt nu 1.66 punten lager dan in 2021. Sinds het begin van de metingen – in 2012 – is het vertrouwen in de regering nog nooit zo laag geweest, concluderen de onderzoekers. Datzelfde zien we bij kranten, de Tweede Kamer, televisie en grote ondernemingen; ook daar hebben mensen in 13 jaar tijd nog nooit zo weinig vertrouwen in gehad.
Aantal mensen dat de wetenschap niet zo vertrouwt, neemt toe
De gemiddelde Nederlander heeft dus behoorlijk wat vertrouwen in de wetenschap. De nadruk ligt daarbij echter duidelijk op ‘gemiddelde Nederlander’, want natuurlijk hebben niet alle Nederlanders een even groot vertrouwen in de wetenschap. Dat zien we ook duidelijk terugkomen in het onderzoek; zo’n vijftien procent van de ondervraagden geeft aan weinig vertrouwen te hebben in de wetenschap. En dat is best opvallend, want in 2021 was dat nog tien procent. Die groep is dus gegroeid. Dat het vertrouwen in de wetenschap door de bank genomen toch is toegenomen, is te danken aan het feit dat de groep mensen met erg veel vertrouwen in de wetenschap nog veel sterker is gegroeid. Waar in 2021 nog 21 procent van de ondervraagden aangaf erg veel vertrouwen te hebben in de wetenschap, is dat in 2025 zo’n 34 procent.
Hoog
“Al met al zien we dat het vertrouwen in de wetenschap in Nederland gemiddeld genomen nog steeds hoog is, zeker ten opzichte van andere instituten,” zo concluderen de onderzoekers. “Wel zien we dat zowel het aandeel mensen met een laag vertrouwen in wetenschap, als het aandeel met juist een heel hoog vertrouwen in de wetenschap is gestegen ten opzichte van de vorige meting. De opvattingen lopen daarmee meer uiteen dan voorheen.”
Wetenschappers
De onderzoekers hebben mensen niet alleen gevraagd naar hun vertrouwen in de wetenschap. Zo is bijvoorbeeld ook gekeken hoe het zit met het vertrouwen in wetenschappers. En dat zit ook wel goed: 74 procent van de ondervraagden gaf aan vertrouwen te hebben in wetenschappers. En respectievelijk 71 en 70 procent van de ondervraagden gaf aan ook vertrouwen te hebben in op wetenschappelijk onderzoek gebaseerde conclusies en de wetenschappelijke methode. Ondertussen is er opvallend weinig vertrouwen in de conclusies die niet-wetenschappers – zoals journalisten of politici – op basis van wetenschappelijke resultaten trekken. Van alle ondervraagden geeft slechts 19 procent aan veel of alle vertrouwen te hebben in conclusies die journalisten op basis van wetenschappelijk onderzoek trekken. Politici die conclusies trekken op basis van wetenschappelijk onderzoek genieten nog minder vertrouwen; slechts 10 procent van de ondervraagden heeft daar veel fiducie in.
Vaccinaties
Onderzoekers hebben ook gekeken hoeveel vertrouwen mensen hebben in verschillende onderzoeksthema’s. En daar blijkt toch wel sprake van grote verschillen. Zo hebben de ondervraagden veel vertrouwen in onderzoek dat handelt over gezondheid en vaccinatie, maar weinig vertrouwen in onderzoek naar ongelijkheid en discriminatie.
Opleiding en stemgedrag
In hun studie identificeren onderzoekers van het Rathenau Instituut ook een aantal factoren die samenhangen met het vertrouwen in de wetenschap. Zo blijken hoogopgeleide mensen doorgaans meer vertrouwen te hebben in de wetenschap dan laagopgeleide mensen. Daarnaast hebben mensen die aangeven dat ze in het dagelijks leven vaak in aanraking komen met wetenschap – bijvoorbeeld doordat ze er in de krant over lezen – doorgaans een groter vertrouwen in de wetenschap. Hetzelfde geldt voor mensen die zichzelf progressief vinden. En voor mensen die bij de meest recente landelijke verkiezingen Volt, D66 of GroenLinks-PvdA hebben gestemd. Ondertussen blijken PVV-, BBB, en FvD-stemmers gemiddeld juist minder vertrouwen in de wetenschap te hebben.
Spiritualiteit
Ook mensen die zichzelf als spiritueel beschouwen, hebben minder vertrouwen in de wetenschap dan mensen die dat niet doen. “Dit kan komen doordat hedendaagse spiritualiteit sterk samenhangt met het vertrouwen op intuïtie,” zo speculeren de onderzoekers. “Deze verklaring houdt in dat spiritualiteit veel meer uitgaat van iemands persoonlijke ervaring dan van rede (wetenschap).”
Van religie tot leeftijd
Religie blijkt dan weer geen factor te zijn in het vertrouwen in de wetenschap. Ook de mate waarin mensen sociale media gebruiken, lijkt niet van invloed te zijn op het vertrouwen in de wetenschap. Wat wél een rol speelt, zo tonen onderzoekers in dit nieuwe rapport voor het eerst aan, is leeftijd. Zo blijken ouderen minder vertrouwen te hebben in wetenschap dan jongeren.
De onderzoekers zijn voornemens de ondervraagden de komende drie jaar elk jaar opnieuw te vragen naar hun vertrouwen in de wetenschap. En – als dat vertrouwen veranderd is – ook door te vragen of dat komt door iets wat ze in het afgelopen jaar hebben meegemaakt. “Zo hopen we in de komende jaren betere uitspraken te kunnen doen over of, en waardoor vertrouwen in de wetenschap verandert,” aldus de onderzoekers.


