Nieuw onderzoek toont aan dat de ontlasting van Augustijner monniken – heel verrassend – bijna twee keer meer parasieten herbergde dan die van de algemene bevolking.

Dat de Middeleeuwen niet zo’n heel hygiënisch tijdvak was, is algemeen bekend. We kennen allemaal de verhalen over vuilnis dat gewoon op straat werd gegooid, ratten die tussen de huizen leefden en de uitwerpselen die op straat of in het water belandden en de steden zo aan een onaangename geur hielpen. Minder bekend is echter dat het er in diezelfde tijd in Augustijner kloosters doorgaans wat hygiënischer aan toeging. De meeste van deze kloosters beschikten – in tegenstelling tot de arbeidershuisjes in de omgeving – over latrines en de benodigde faciliteiten om (regelmatig) de handen te wassen.

Darmparasieten
Je zou dan ook verwachten dat de monniken die in deze kloosters leefden minder vaak ten prooi vielen aan darmparasieten. Maar niets is minder waar, zo schrijven wetenschappers in het blad International Journal of Paleopathology. Hun onderzoek naar monniken die tussen de 12e en 14e eeuw in een Augustijner klooster in Cambridge woonden, wijst namelijk uit dat zij juist veel meer darmparasieten herbergden dan de mensen die in de nabije omgeving leefden en die het zonder al die hygiënische faciliteiten moesten stellen.

Het onderzoek
Voor hun studie togen de wetenschappers naar een begraafplaats in Cambridge waar tussen de 12e en 14e eeuw Augustijner monniken ter ruste werden gelegd. Ze analyseerden aarde die rond de bekkens van negentien van deze monniken lag. Hetzelfde deden ze op een andere begraafplaats in Cambridge waar, in dezelfde periode, voornamelijk mensen met een lage sociaal-economische status – met name landarbeiders – werden begraven. Hier werd de aarde rond de bekkens van 25 overledenen geanalyseerd.

Het onderzoek wijst uit dat 11 van de 19 onderzochte monniken geïnfecteerd waren door wormen. Het betekent dat deze darmparasieten zo’n 58 procent van de onderzochte monniken trof. Onder het armere deel van de algemene bevolking lag dat percentage veel lager: van de 25 onderzochte (land)arbeiders bleken slechts 8 bij leven wormen in de darmen te hebben gehad. Dat komt neer op zo’n 32 procent.

Behoorlijk verschil
Het zijn in beide gevallen nog tamelijk conservatieve cijfers, zo stellen de onderzoekers. Het werkelijke aantal parasitaire infecties lag waarschijnlijk hoger; sommige sporen van deze parasieten – zoals hun eitjes die door het vergaan van het lichaam van de gastheer in de sedimenten rond het bekken zijn beland – zijn waarschijnlijk in de afgelopen eeuwen door toedoen van schimmels en insecten verloren gegaan. Dat we door de invloed van die insecten en schimmels nu misschien wat minder infecties noteren dan er in werkelijkheid waren, doet echter niets af aan de ronduit opmerkelijke conclusie dat infecties veel vaker voorkwamen onder monniken dan onder arme stedelingen.

“Rondwormen kwamen het vaakst voor, maar we hebben ook bewijs gevonden voor zweepworminfecties,” vertelt onderzoeker Tianyi Wang. “Beiden worden verspreid door een slechte hygiëne.” En dat maakt de bevindingen extra verrassend. Want waar middeleeuwse stedelingen zowel hun uitwerpselen als afval vaak in gaten in de grond achterlieten, waren er in kloosters vaak latrines en stromend water om je handen te wassen en de latrines mee uit te spoelen. Met dat in gedachten zou je dan ook misschien wel verwachten dat darmparasieten juist onder stedeling welig tierden. Maar het tegenovergestelde is waar. “De monniken in het middeleeuwse Cambridge wemelden van de parasieten,” concludeert onderzoeker Piers Mitchell.

Bemesting?
Onduidelijk is nog waarom de monniken juist zoveel darmparasieten herbergden. “Een mogelijkheid is dat de monniken hun moestuinen bemestten met menselijke uitwerpselen, iets wat niet ongewoon was in de middeleeuwen,” stelt Mitchell. “En dat kan geleid hebben tot herhaaldelijke infectie door de wormen.” In dat scenario zouden de monniken hun eigen ontlasting uit de latrines kunnen hebben gehaald om hun gewassen te bemesten. Of ze kochten mest in de stad. “Bestaande uit menselijke uitwerpselen en uitwerpselen van varkens (ook varkens kunnen door rondwormen geïnfecteerd zijn,” zo schrijven de onderzoekers in hun studie. De uitkomst is in beide gevallen hetzelfde: “Het kan geleid hebben tot meer infecties wanneer de monniken de gewassen uit hun moestuinen vervolgens aten.”

Mensen waren zich in de middeleeuwen al bewust van het bestaan van darmparasieten. Zo zijn er geschriften bekend die uit de veertiende eeuw stammen en waarin de parasieten beschreven worden. Ook zijn er middeleeuwse teksten waarin behandelingen worden geopperd, variërend van het op de buik bevestigen van bepaalde kruiden tot het drinken van bittere geneeskrachtige planten. Of de monniken zich daar ook aan waagden, is onduidelijk. Vaststaat dat ze ondanks de vele parasieten doorgaans wel aanzienlijk langer leefden dan de stedelingen. Het is waarschijnlijk mede te danken aan het voedzame eten dat ze tot hun beschikking hadden.