Want giffen zijn een dankbare (inspiratie)bron gebleken voor farmaceuten.

Klompvoetkikkers (Atelopus) zijn zeer kleurrijk én divers: in Centraal- en Zuid-Amerika leven maar liefst 113 verschillende soorten. Voor de meeste soorten geldt echter dat hun populaties achteruit hollen en van een kwart van de soorten wordt zelfs vermoed dat ze reeds uitgestorven zijn. En daarmee zijn we mogelijk reeds veel meer kwijt geraakt dan we ooit zullen beseffen, zo betogen onderzoekers nu in het blad Toxicon: X.

Gif
Want klompvoetkikkers zijn niet alleen kleurrijk, maar soms ook giftig gebleken. Van veel soorten weten we echter (nog) niet of ze giftig zijn, welke gifstoffen ze produceren en hoe die gifstoffen in elkaar steken. En als soorten uitsterven, komen we dat soort zaken ook nooit te weten. En dat is een probleem, zo stellen onderzoekers nu.

Geneesmiddelen
Want het gif van dieren is al herhaaldelijk een dankbare bron van geneesmiddelen gebleken. Zo wordt een bestanddeel uit slangengif bijvoorbeeld al gebruikt in bloeddrukverlagende medicatie en worden er pijnstillers gemaakt met behulp van een bestanddeel afkomstig uit het gif van kegelslakken. En er lopen verschillende onderzoeken naar klinische toepassingen van bestanddelen van gif dat schorpioenen, duizendpoten en kogelvissen produceren.

Het lijkt dan ook zeker niet ondenkbaar dat het gif van klompvoetkikkers vergelijkbare mogelijkheden biedt. Maar dan moeten we het wel – voor de padden voorgoed verdwijnen – analyseren. “In Centraal-Amerika zijn negen soorten klompvoetkikkers te vinden,” zo vertelt Rebecca Tarvin, één van de auteurs van de review in Toxicon: X. “En bij zeven daarvan is onderzoek gedaan naar de diversiteit en kwantiteit van gifstoffen. Maar de meeste Atelopus-soorten leven in Zuid-Amerika, waar de minste studies zijn gedaan. Er zijn complete landen – zoals Bolivia en Guyana, waar geen enkele soort beoordeeld is (…) We weten niet of ze giftig zijn of niet. Eén van de conclusies van ons artikel is dat we met het verlies van deze dieren waarschijnlijk ook enige chemische diversiteit kwijtraken. Ze bezitten gifstoffen die nergens anders op aarde te vinden zijn.”

Bedreigingen
En dat sommige van de nauwelijks bestudeerde padden het onderspit gaan delven, lijkt bijna vast te staan. In 2005 bleek uit onderzoek nog dat van de 53 Atelopus-soorten waarvan voldoende data voorhanden was, 81 procent met populatiekrimp te maken had. En 56 procent was mogelijk al uitgestorven. Dat de padden het moeilijk hebben, heeft meerdere oorzaken. Zo lijkt vernietiging van hun leefgebied een rol te spelen. De belangrijkste oorzaak is echter een schimmelziekte, die veel slachtoffers maakt onder de padden. “Veel soorten zijn compleet weggevaagd,” aldus Tarvin.

En dus dringt de tijd. Want er is nog veel wat we niet weten, zo blijkt uit het onderzoek van Tarvin en collega’s. Zo tonen ze in hun artikel aan dat tot op heden het gif van slechts 16 van de 113 ons bekende klompvoetkikkersoorten geanalyseerd is. Sommige van die onderzochte padden maken de gifstoffen op hun huid zelf. Bij anderen lijken ze het werk van bacteriën die op de huid van de padden leven. Dat er onder de nog niet nader onderzochte klompvoetkikkers ook nog heel wat giftige soorten te vinden zijn, lijkt gezien hun felle kleuren – die in de natuur vaak dienen om roofdieren te waarschuwen – aannemelijk. Maar, zo benadrukt Tarvin, het is zeker niet bewezen dat alle klompvoetkikkers giftig zijn. Ook hoeven de gifstoffen op de huid niet altijd dezelfde functie hebben; bij sommige soorten zijn ze misschien bedoeld om roofdieren op afstand te houden, maar bij anderen kunnen de stoffen op de huid weer bescherming bieden tegen ziekten (misschien zelfs wel de gevreesde schimmelziekte). Vervolgonderzoek moet over dat alles meer duidelijkheid verschaffen en uitwijzen welke soorten giftig zijn, hoe dat gif tot stand komt en welke functie het heeft. Tarvin en collega’s voegen wat dat betreft direct de daad bij het woord, want ze zijn voornemens zich de komende tijd op het onderzoek naar de vaak felgekleurde padden te storten. “De belangrijkste reden voor mij om ze te bestuderen, is dat ze bijna verdwenen zijn,” stelt María José Navvarrete-Méndez, niet betrokken bij het onderzoek, maar onderdeel van Tarvins onderzoeksgroep en één van de wetenschappers die specifiek het gif van deze padden onderzoekt. “Als er iets is, wat we kunnen doen om ervoor te zorgen dat ze zich herstellen of dat we nog iets van hen leren voor ze uitsterven, dan moeten we dat doen. Het is onze verantwoordelijkheid.”