In een klein aquarium in Stockholm staat een tablet tegen het glas. Op het scherm zwemmen guppy’s rond, urenlang, dag na dag, terwijl een jonge guppy in zijn eentje toekijkt. Hij ziet ze wel, maar zijn hersenen reageren er nauwelijks op. Écht gezelschap werkt toch een stuk beter.
Biologen van de Universiteit van Stockholm wilden weten of het uitmaakt of sociaal contact in twee richtingen gaat. Een soortgenoot die terugkijkt en meebeweegt geeft andere prikkels dan een opname die altijd hetzelfde doet. Die vraag speelt ook bij mensen, nu steeds meer contact via beeldschermen verloopt. Guppy’s lenen zich goed voor zo’n test, omdat hun brein zich tijdens de jeugd sterk aanpast aan de omgeving.
Drie groepen, één variabele
Het team verdeelde 88 jonge guppy’s over drie opstellingen, allemaal met uitsluitend visueel contact. De eerste groep leefde twintig dagen naast een aquarium met soortgenoten en kon die vissen ruim drie uur per dag zien en erop reageren. De tweede groep keek precies even lang naar een scherm met vooraf opgenomen beelden van net zulke soortgenoten. De derde groep kreeg nauwelijks gezelschap en zag slechts tien minuten per dag een andere vis. De schermgroep zag dus wel degelijk soortgenoten en precies even lang als de live-groep. Het verschil zat niet in de aanwezigheid van andere vissen, maar in de interactie: een opname reageert niet.
Echt contact, een groter brein
Na de twintig dagen volgde eerst een geheugentaak en daarna de hersenmeting. De vissen uit de live-groep hadden een brein dat ongeveer 5,8 procent groter was dan dat van de schermvissen, met het duidelijkste verschil in de reukbulben, een hersengebied dat bij vissen belangrijk is voor sociaal leren. De schermvissen waren in hersenomvang niet te onderscheiden van de groep met minimaal contact. Beelden op een scherm leverden het brein dus ongeveer evenveel op als vrijwel alleen zijn. Tussen de live-groep en de minimaal-groep was het verschil minimaal, mogelijk doordat ook die laatste vissen elke dag tien minuten een soortgenoot zagen.
Geen verschil in de geheugentest
Bij de geheugentest was van het hersenverschil weinig te merken. De taak peilde of een vis een beloning kan blijven volgen nadat die achter een hindernis uit het zicht verdwijnt. Alle drie de groepen kozen ongeveer even vaak goed, gemiddeld zo’n 58 procent van de keren. Een groter brein gaf de live-vissen hier geen meetbaar voordeel. De onderzoekers tekenen daar zelf bij aan dat zo’n taak het werkgeheugen van een vis misschien niet goed meet, omdat de vis de onthouden informatie niet actief hoeft te bewerken.
Van guppy naar mens
Of dit iets zegt over mensen, blijft een open vraag. Het gaat om guppy’s en het meeste onderzoek naar schermtijd bij mensen kijkt alleen naar statistische verbanden: het ziet een link, maar kan de exacte oorzaak niet aanwijzen. De kracht van deze opzet is juist dat oorzaak en gevolg wel uit elkaar te halen waren, zij het bij een vis en op kleine schaal. Een opvallend detail blijft: de vissen kregen alleen beeld te zien, maar het waren de reukbulben die het sterkst meegroeiden. Mogelijk zijn beeld en geur in het brein sterker met elkaar verbonden dan gedacht, al is dat voorlopig een vermoeden dat verder uitgezocht moet worden.
We schreven vaker over dit onderwerp, lees bijvoorbeeld ook Vallen dieren voor optische illusies? Wat vissen en vogels ons kunnen leren over perceptie en Vissen hebben vrij complexe persoonlijkheden. Of lees dit artikel: Vissen zijn een stuk slimmer dan je denkt: ze kunnen zelfs verschillende mensen herkennen
Uitgelezen? Luister ook eens naar de Scientias Podcast:


