Wetenschappers hebben experimenteel bewijs gevonden dat beerdiertjes met slakken meeliften om zich over grotere afstanden te verspreiden. Maar dat loopt niet altijd goed af…

Beerdiertjes zijn meercellige, maar piepkleine dieren: vaak slechts een halve millimeter lang en ongeveer eenvijfde millimeter breed. Ondanks die geringe omvang mogen ze zich de laatste decennia in toenemende mate in onze aandacht verheugen. En dat is voornamelijk te verklaren door het feit dat beerdiertjes vrijwel onverwoestbaar zijn gebleken; UV-straling, uitdroging, extreme hitte, vrieskou, zuurstofgebrek, gevaarlijke kosmische straling, afgeschoten worden met een geweer (echt geprobeerd!): het beerdiertje is niet kapot te krijgen. Nou ja: bijna niet. Want in een nieuwe studie lijken wetenschappers nu toch iets gevonden te hebben wat in sommige gevallen zelfs voor het onverwoestbare beerdiertje een bijzonder slecht idee is: liften.

Acht pootjes
De meeste kleine en zachte organismen moeten het zonder pootjes stellen, maar het beerdiertje is daarop een uitzondering. Het minuscule organisme is gezegend met acht pootjes, waarmee het – weliswaar op zeer opmerkelijke wijze – zelfs kan rennen. Maar die korte pootjes brengen het beerdiertje – zelfs rennend – niet heel ver. Dat heeft het beerdiertje er echter niet van weerhouden de wereld te veroveren: vandaag de dag is het organisme op alle continenten op aarde en in de meest uiteenlopende leefgebieden te vinden. Het is deels waarschijnlijk te danken aan passieve vormen van transport, waarbij beerdiertjes bijvoorbeeld meegevoerd worden door de wind of het water en zo enorme afstanden af kunnen leggen. Maar er is nog een andere optie, zo schrijven onderzoekers nu in het blad Scientific Reports. Mogelijk leggen de beerdiertjes ook voor hen behoorlijke afstanden af door mee te liften met…slakken.

Zo op het eerste gezicht lijkt een slak misschien niet het ideale transportmiddel. Maar vanuit het oogpunt van een beerdiertje kan dat weleens heel anders zijn. Allereerst heeft eerder onderzoek uitgewezen dat beerdiertjes zich met ongeveer een snelheid van 23 millimeter per uur voortbewegen en dat maakt de slak opeens tot een behoorlijk vlotte transporteur. Daarnaast moeten beerdiertjes om actief te kunnen blijven (zie kader) altijd een laagje water om hun lijfje hebben zitten. En slakken zijn vochtig. Als klap op de vuurpijl leven slakken ook vaak in de gebieden waar beerdiertjes actief zijn en kunnen zij – in tegenstelling tot beerdiertjes – wél over (door mensen opgeworpen) obstakels bewegen, zoals bijvoorbeeld stoepranden. Kortom: meeliften met een slak is – opnieuw: vanuit het oogpunt van een beerdiertje – zo onlogisch nog niet.

Actief of een ton
Om te kunnen functioneren, hebben beerdiertjes – op het land – een waterlaagje om zich heen nodig. Het vereist bepaalde (zeer vochtige) omstandigheden die in sommige leefgebieden maar beperkt voorkomen. En dat betekent dat beerdiertjes in die leefgebieden ook maar beperkt actief kunnen zijn. Ook dat beperkt het aantal millimeters dat ze actief kunnen afleggen, natuurlijk sterk. Wanneer de omstandigheden ongunstig zijn voor een actief leven, betekent dat overigens niet het einde voor het beerdiertje. Het heeft namelijk nog een opmerkelijke ‘superkracht’: in kortere en langere perioden van droogte gaat het in anhydrobiose. Hierbij droogt het beerdiertje langzaam bijna volledig uit (bijna al het water dat normaliter in de weefsels van het beerdiertje aanwezig is, verdwijnt) en de stofwisseling wordt vrijwel stilgelegd. Het beerdiertje schrompelt ineen en heeft dan wel iets weg van een tonnetje. Vandaar dat zo’n uitgedroogd beerdiertje ook wel een ton wordt genoemd.

Maar kunnen beerdiertjes ook daadwerkelijk meeliften met slakken? De onderzoekers namen de proef op de som. Ze verzamelden slakken behorende tot de soort Cepaea nemoralis en spoelden deze helemaal schoon. Vervolgens zetten ze de slakken in hetzelfde petrischaaltje als actieve beerdiertjes behorende tot de soort Milnesium inceptum (en van nature voorkomend in hetzelfde leefgebied als C. nemoralis). Al snel bleken slakken over de beerdiertjes heen te glijden en daarbij bleven – wanneer de bodem van het petrischaaltje glad was – de nodige beerdiertjes aan de slak ‘plakken’. Sommige van die beerdiertjes werden vervolgens meerdere centimeters (voor een beerdiertje toch een behoorlijke afstand) verplaatst. “Het is waarschijnlijk gewoon toeval,” zo vertelt onderzoeker Zofia Książkiewicz aan Scientias.nl. “Beerdiertjes kunnen niet ‘besluiten’ om dit transportmiddel te gebruiken; actieve beerdiertjes bevinden zich simpelweg op de route die de slak op dat moment volgt.”

Uitgepoept
Het is overigens niet voor het eerst dat onderzoekers de interactie tussen slakken en beerdiertjes onderzoeken. Eerder werden beerdiertjes ook al aangetroffen in de uitwerpselen van slakken. Vermoedelijk zijn de beerdiertjes door de slakken opgegeten en vervolgens verderop weer uitgepoept. En ook dat konden de beerdiertjes navertellen; na te zijn uitgepoept, pakten ze het leven – op hun nieuwe woonplek – gewoon weer op. Maar nu hebben onderzoekers dus experimenteel aangetoond dat slakken beerdiertjes ook op een wat minder intieme manier kunnen vervoeren.

Sterfte
Maar meeliften met een slak is mogelijk niet zonder risico’s, zo blijkt tevens uit de experimenten. Dat geldt met name voor beerdiertjes in anhydrobiose. “Aangezien slakken en beerdiertjes onder dezelfde (natte) omstandigheden actief zijn, dachten we dat transport door slakken vooral mogelijk was voor actieve beerdiertjes. Aan de andere kant kunnen slakken ook actief zijn in iets minder vochtigere omstandigheden dan de beerdiertjes vereisen. En daarom hebben we ook de impact die het slakkenslijm op de ‘tonnetjes’ heeft, onderzocht,” legt onderzoeker Milena Roszkowska uit. En de resultaten zijn weinig hoopgevend. Zo bleek slechts 34 procent van de beerdiertjes in anhydrobiose contact met het slijm – en dus hun interactie met die zo op het eerste gezicht zo aantrekkelijke liftgever – te overleven. “Omdat het slijm voornamelijk uit water bestaat, denken we dat het slijm ervoor zorgde dat de beerdiertjes rehydrateerden.” In andere woorden: ze begonnen uit de anhydrobiose te komen. “Maar dat lukte niet helemaal alvorens het slijm opdroogde.” Het resultaat? Beerdiertjes die in heel vreemde poses – te wijten aan het feit dat ze in reactie op droogte tevergeefs halsoverkop weer in anhydrobiose poogden te gaan – het loodje legden. “Daarnaast is het misschien ook wel zo dat de antibacteriële eigenschappen van slakkenslijm het microbioom van de beerdiertjes aantastte en zo van invloed was op de sterfte.”

In het wild
Het zijn intrigerende bevindingen die – en dat moet benadrukt worden – enkel gebaseerd zijn op laboratoriumproeven. Of iets soortgelijks ‘in het wild’ plaatsvindt, blijft onzeker. “Wij geloven wel dat het ook in de natuurlijke habitat kan gebeuren,” stelt Książkiewicz. Natuurlijk ook ingegeven door het feit dat de bestudeerde soorten van nature in datzelfde habitat voorkomen en elkaar dus ook regelmatig tegen het lijf lopen. Het is volgens haar dan ook vooral de vraag in welke mate het gebeurt, hoe ver de beerdiertjes het op deze manier weten te schoppen en welke impact het op de beerdiertjes heeft. “Zo’n transport over korte afstanden kan een significante impact hebben op de genetische diversiteit binnen een populatie,” merkt Książkiewicz op.

Het verkrijgen van antwoorden op dergelijke vragen is echter nog niet zo eenvoudig. “Het zou natuurlijk perfect zijn als we data hadden van wilde populaties in hun natuurlijke omgeving,” stelt Roszkowska. “Maar dat is – door de kleine omvang van de beerdiertjes – bijna onmogelijk. We zouden dan ook eigenlijk moeten starten met nog een laboratoriumonderzoek waarin we nagaan over welke afstanden de beerdiertjes getransporteerd worden. En misschien ook moeten onderzoeken hoe snel de beerdiertjes die door slakken vervoerd worden zich vestigen in steriele mossen. Maar dergelijk onderzoek zou heel arbeidsintensief zijn.” En dus lijkt het erop dat we er vrede mee moeten hebben dat sommige vragen voorlopig in ieder geval onbeantwoord blijven.