Jagers en verzamelaars waren duizenden jaren voor Stonehenge verrees al actief in het omringende gebied, dat in die tijd al een vrij open karakter moet hebben gehad. Dat stellen onderzoekers.

Stonehenge kennen we allemaal; het monument uit het neolithicum, oftewel de jonge steentijd, spreekt nog altijd tot de verbeelding. Geen wonder dat er ook veel onderzoek naar wordt gedaan. En dat heeft ook de afgelopen jaren tot nieuwe inzichten geleid, bijvoorbeeld als het gaat om de herkomst van de stenen waaruit Stonehenge is opgebouwd. En stukje bij beetje hebben we zo een beter beeld gekregen van de periode waarin dit monument verrees. Veel minder is echter bekend over de periode ver daarvoor, zo stellen onderzoekers in het blad PLoS ONE. “We weten weinig over de schaal van de pre-neolithische activiteit en over in hoeverre het latere monumentencomplex een verder ‘leeg’ landschap opvulde. Er is wel veel gediscussieerd over de vraag of het monument nu verrees in een onbewoond, bebost landschap of dat het gebouwd werd in een deels open landschap dat reeds voor jagers en verzamelaars in het late mesolithicum (dat voorafging aan het neolithicum, red.) van belang was geweest.”

Open bos
Een nieuw onderzoek kan die discussie nu enigszins helpen beslechten. Onderzoek nabij Stonehenge wijst namelijk uit dat het gebied in de tijd van de jagers en verzamelaars het beste beschreven kan worden als ‘open bos’, met bomen op behoorlijke afstand van elkaar, met daartussen grasland. Daarnaast tonen onderzoekers aan dat het gebied – lang voor Stonehenge verrees – ook op jagers en verzamelaars al aantrekkingskracht moet hebben uitgeoefend.

Blick Mead
Wetenschappers komen tot die conclusie na onderzoek in een gebied aan de rand van het Stonehenge World Heritage Site, dat ook wel aangeduid wordt als Blick Mead. Hier leefden – zo wijzen archeologische vondsten uit – lang voor Stonehenge verrees, jagers en verzamelaars, zo vertelt onderzoeker Sam Hudson aan Scientias.nl. “Het archeologisch bewijs – voornamelijk in de vorm van een grote en diverse verzameling stenen en botten, waaronder ook botten waarin gesneden is – suggereert dat het meer was dan een kamp waar mesolithische jagers en verzamelaars kort vertoefden. Koolstofdatering wijst zelfs uit dat er over een periode van 4000 jaar herhaaldelijk sprake was van menselijke activiteit, wat suggereert dat het een persistente plaats in het pre-neolithische landschap was.”

Bijzonder
Het maakt Blick Mead bijzonder. “Met uitzondering van Blick Mead is er niet veel bewijs dat jagers en verzamelaars actief waren in het landschap waar Stonehenge zich nu bevindt, maar dat kan ook wel komen doordat het onderzoek in dit gebied zich meestal richtte op de activiteiten in het neolithicum en de bronstijd.” Toch zijn er eerder wel voorzichtige aanwijzingen gevonden dat het gebied ook voor jagers en verzamelaars die duizenden jaren voor de bouwers van Stonehenge leefden, belangrijk was, zo benadrukt Hudson. Hij haalt daarbij bijvoorbeeld de drie voormalige putten aan die vandaag de dag deel uitmaken van het parkeerterrein nabij Stonehenge en mogelijk tot wel twee keer ouder zijn dan het megalithische monument. “Vermoed wordt dat in deze putten ooit hoge houten palen stonden, een andere sterke aanwijzing dat het gebied ook voor jagers en verzamelaars enige betekenis had.”

Aanpak
Hoe het gebied er ten tijde van die jagers en verzamelaars uitzag, was zoals gezegd lang onduidelijk. Maar dankzij het werk van Hudson en collega’s in Blick Mead krijgen we daar nu een beter beeld van. De wetenschappers analyseerden daartoe pollen, sporen, dierenresten en DNA dat in grondlagen uit het mesolithicum zat opgeslagen. “Dat geeft ons een beeld van de flora en fauna in en rond Blick Mead,” stelt Hudson.

Open bos
En samen schetsen die oude natuurlijke resten dus het beeld van een open bos. “Dat was niet heel verrassend,” stelt Hudson. “Een aantal eerdere studies had al gesuggereerd dat er open bos moet zijn geweest op de plek waar Stonehenge verrees. Tegelijkertijd was het in die periode (voorafgaand aan de bouw van Stonehenge, red.) zo dat de omstandigheden in de meeste gebieden veel gunstiger waren voor dichte bebossing. Het is dan ook mogelijk dat een combinatie van dunne, bruine krijtvaaggronden, grazende hoefdieren en antropogene activiteit ten grondslag lag aan de veel openere omstandigheden die we in Blick Mead zien.”

Zo’n open landschap, dat duizenden jaren door mensen en grote grazers gebruikt en onderhouden is, moet een stuk aantrekkelijker zijn geweest voor de boeren die veel later Stonehenge creëerden. “Praktisch gezien is het gemakkelijker om landbouw te bedrijven en monumenten te bouwen in gebieden die al relatief leeg zijn,” erkent Hudson. “Dat is nu eenmaal eenvoudiger dan wanneer je een gebied eerst leeg moet maken alvorens je er gewassen kunt verbouwen, dieren kunt houden of rituele activiteiten kunt ondernemen. Dus in die zin was het gebied wel al enigszins klaar voor de bouw van een monument.” Maar of dat ook de reden was dat de latere boeren en monumentenbouwers Stonehenge hier lieten verrijzen, is twijfelachtig. “Er is geen enkele aanwijzing dat praktische overwegingen ook maar iets te maken hadden met de bouw van een monument als Stonehenge, waarvoor stenen soms wel helemaal uit Wales werden gehaald. Op het moment kunnen we dan ook niet zeggen dat het gebied waarin Stonehenge verrees aantrekkelijk was voor de mensen in het neolithicum en de bronstijd, omdat er open ruimtes waren.” Tegelijkertijd valt ook niet uit te sluiten dat de aanwezigheid van jagers en verzamelaars in bijvoorbeeld Blick Mead helemaal niets met de locatie van Stonehenge te maken heeft. “Gebieden zoals Blick Mead kunnen wel onderdeel zijn van de puzzel, zeker als de lange geschiedenis van jagers en verzamelaars die hier vertoefden, bekend was bij latere populaties.”