Nieuw onderzoek van Utrechtse klimaatwetenschappers laat zien dat de manier waarop landen hun resterende CO2-budgetten berekenen, structureel in het voordeel werkt van landen die al veel uitstoten. Daardoor krijgen armere landen, die historisch weinig hebben bijgedragen aan de opwarming, relatief zwaardere lasten opgelegd. Maar er is een manier om het probleem op te lossen, zegt onderzoeker Yann Robiou du Pont.
“Eerdere studies waarin de klimaatambities van landen werden beoordeeld, hebben één ding gemeen: ze belonen landen met een hoge uitstoot ten koste van de meest kwetsbare landen”, zegt hoofdonderzoeker Yann Robiou du Pont in het persbericht bij de publicatie van het onderzoek in vakblad Nature Communications. Die zin vat de kern van de kritiek samen: de manier van rekenen schuift verplichtingen weg van de landen die historisch verantwoordelijk zijn naar kwetsbare landen.
Wat is het probleem?
Laten we even terugspoelen naar het Akkoord van Parijs. In 2015 kwamen bijna alle landen ter wereld bijeen om te beloven de opwarming van de aarde te beperken tot maximaal 2 graden Celsius, en liefst tot 1,5 graad. Dat betekent dat we met z’n allen minder broeikasgassen zoals CO2 moeten uitstoten. Leuk, op papier dan, maar in de praktijk is het niet zo evident om te berekenen wie wat moet doen.
Het probleem zit er volgens du Pont en zijn team in hoe we nu rekenen met de zogenaamde ‘klimaatbudgetten’. Een klimaatbudget is de hoeveelheid CO2 die een land nog kan uitstoten voordat een bepaalde wereldwijde temperatuurgrens waarschijnlijk wordt overschreden. Dit budget start bij de huidige uitstootniveaus, en net daar, vertelt Du Pont aan Scientias.nl, zit het probleem. “Dit bevoordeelt landen waarvan de eerlijke emissieniveaus, of toewijzingen, ver onder hun huidige werkelijke emissies liggen.” Landen die nu veel vervuilen, zoals de VS, Saoedi-Arabië en andere historische vervuilers, krijgen hierdoor meer speling. Dit systeem beloont met andere woorden vervuiling uit het verleden en belast landen die historisch weinig hebben uitgestoten, zoals veel ontwikkelingslanden in Afrika of Azië, zo luidt het argument.
Wat kan eraan gedaan worden?
De Utrechtse wetenschappers pleiten voor een betere aanpak. Ze stellen voor om klimaatbudgetten te baseren op twee dingen: historische verantwoordelijkheid (wie heeft in het verleden het meest vervuild?) en capaciteit (wie heeft het geld en de technologie om nu schoon te maken?). “Onze studie berekent ambitietoetsingen op basis van capaciteit en historische verantwoordelijkheid, om de CBDR-RC van het Akkoord van Parijs te weerspiegelen”, zegt du Pont. CBDR-RC staat voor Common But Differentiated Responsibilities and Respective Capabilities. Het is een principe dat erkent dat alle landen moeten meedoen, maar rijke en vervuilende landen meer verantwoordelijkheid dragen.
Dit betekent dat rijke landen zoals de Verenigde Staten, Australië, Canada, de Verenigde Arabische Emiraten en Saoedi-Arabië het hardst moeten inleveren. Ook Europa moet meer doen, hoewel de studie erkent dat ons continent relatief minder slecht bezig is. Deze landen moeten niet alleen hun eigen uitstoot omlaag brengen, maar ook armere landen financieel helpen met schone technologieën, zoals zonnepanelen of efficiëntere industrieën. “Deze inspanning moet zich vertalen in stringente binnenlandse beleidsmaatregelen én financiering van mitigatie in het buitenland”, zegt du Pont. Mitigatie betekent simpelweg het verminderen van uitstoot, bijvoorbeeld door over te stappen op hernieuwbare energie.
Tot in de rechtszaal voelbaar
De gevolgen reiken tot in de rechtszaal. Neem het Europees Hof voor de Rechten van de Mens: in 2024 oordeelde het dat te weinig klimaatactie een schending van de mensenrechten is. Landen moeten bewijzen dat hun plannen eerlijk en ambitieus zijn. En op 23 juli 2025 gaf het Internationale Gerechtshof een advies dat landen verplicht zijn om verdere klimaatschade te voorkomen.
Du Pont zegt wel dat afdwingen alleen niet de oplossing is. Samenwerken blijft de sleutel. “Samenwerking is nodig omdat het geld niet daar is waar de behoeften zijn en omdat het onwaarschijnlijk is dat landen belangrijke mitigatiemaatregelen zullen nemen die verder gaan dan wat voor hen redelijk is om te financieren”, zegt hij. Kortom: het moet allemaal eerlijk blijven voor iedereen.


