Is water eigenlijk nat? Als iemand die vraag stelt, voel je al nattigheid. Toch tintelt het ook de verwondering: als het niet nat is, wat is het dan wél? Dat legt Diederik uit.
Een scheikundig dating-probleem: hoe hard zijn de deeltjes tot elkaar aangetrokken?
Eerst even een belangrijke nuance: in deze discussie lopen taalkundig- en natuurkundig taalgebruik door elkaar heen. Zo kun je in het dagelijkse leven prima zeggen dat iemand ‘een fijne energie’ heeft. Maar de natuurkunde zegt dat niet zoveel, want die wil heel concreet zijn: hebben we het dan over kinetische, chemische of potentiële energie?
Om te weten of iets nat is, moeten we dus eerst weten wat ‘nat’ precies is. Natuurkundigen kijken vooral hoe goed vloeistof contact maakt met een oppervlak, iets wat ze ‘wetting’ noemen. Vinden de deeltjes van de vloeistof het oppervlak aantrekkelijk, dan ‘smeren’ ze zich uit. Indien niet, dan blijven ze liever bij elkaar.
In dat laatste geval noemen we zo’n oppervlak ‘hydrofiel’. Je hebt voor ‘nattigheid’ dus altijd een oppervlak nodig: water kan zelf niet ‘nat’ zijn, het kan alleen een oppervlak nat ‘maken’. Maarja, dat kan je natuurlijk ook uitleggen als ‘in contact zijn met water’. Watermoleculen zijn ook contact met elkaar. Maar dan verliest het begrip wel zijn scherpte.
‘Nat’ kun je niet voelen
Je leest het goed. De menselijke huid heeft namelijk geen waterreceptoren. Wat je wél kan voelen, is kou en gladheid. Wie al eens dunne latexhandschoenen heeft gedragen heeft dat waarschijnlijk al gemerkt: als je je handen met die handschoenen in het water steekt, blijft je hand zelf droog, al ‘denkt’ je hoofd daar anders over.



