“Evolutie is maar een theorietje.” Dat klinkt alsof het zwak is, maar in de wetenschap betekent theorie juist het tegenovergestelde. Diederik legt uit hoe dat zit.
Evolutie is maar een theorietje. Het is een uitspraak die je vaak hoort, maar hij klopt op twee manieren niet.
Om te beginnen is een theorie in de wetenschap geen gokje. In het dagelijks taalgebruik betekent het woord vaak een vermoeden. In de wetenschap is een theorie juist het best onderbouwde raamwerk dat we hebben, een verklaring die enorme hoeveelheden feiten en waarnemingen kan samenbrengen en die bovendien nieuwe voorspellingen doet die je kunt testen. Denk aan de speciale relativiteitstheorie: een theorie die niet alleen observaties verklaart, maar ook voorspellingen deed die keer op keer experimenteel zijn bevestigd.
Theorie is een toetsbare verwachting
Wat mensen meestal bedoelen met ‘theorie’ heet in de wetenschap een hypothese: een toetsbare verwachting, zoals de voorspelling dat een plant sneller groeit met meer water. Feiten zijn waarnemingen, bijvoorbeeld dat fossielen van dinosauriërs vaak dieper liggen dan die van zoogdieren. En wetten beschrijven wat er gebeurt, niet waarom. Newtons zwaartekrachtwet rekent keurig de aantrekkingskracht uit, maar vertelt niet wat zwaartekracht in essentie is.
Een theorie wordt dus nooit ‘een wet’. Een theorie is het eindstation: de stevigste verklaring die overblijft nadat ze van alle kanten is getest en aangevallen.
En precies dat is evolutie. Ze verklaart hoe soorten veranderen door onder meer natuurlijke selectie, genetische drift, horizontale genoverdracht en endosymbiose, en ze maakt begrijpelijk wat we zien in fossielen en in DNA. Evolutie is niet zomaar een idee. Het is een theorie in de wetenschappelijke betekenis van het woord.
Uitgelezen? Luister ook eens naar de Scientias Podcast:



