Het Krim-Congo-virus is vaak dodelijk voor mensen, maar het kwam tot nu toe alleen in warmere delen van de wereld voor. Nu is het virus, dat door teken wordt overgedragen, ook in Frankrijk opgedoken. In meer dan 2 procent van de geteste dieren zijn antilichamen gevonden.
We vroegen onderzoeker Célia Bernard van onderzoeksinstituut CIRAD in Montpellier hoe bezorgd we moeten zijn over het virus dat in de volksmond ook wel tekenziekte wordt genoemd. “Dit is het eerste bewijs dat het virus circuleert bij dieren op het vasteland van Frankrijk. Het laat zien dat het virus niet alleen aanwezig is in teken, maar ook vee heeft besmet, wat bevestigt dat er sprake is van lokale overdracht. Voor gewone mensen blijft het risico echter uiterst laag. Het virus wordt vooral verspreid via beten van Hyalomma-teken, die in Frankrijk zelden mensen bijten of door direct contact met geïnfecteerd dierlijk bloed, wat voornamelijk een risico vormt voor boeren, dierenartsen of slachthuispersoneel”, legt Bernard uit.
Ook is de verspreiding nog erg lokaal. “Tot nu toe zijn besmette teken alleen gevonden in de regio Pyrénées-Orientales. Om het risico voor mensen goed te kunnen inschatten, moeten we nu nagaan of er ook in andere delen van Frankrijk besmette tekenpopulaties aanwezig zijn en hoe vaak de infectie voorkomt binnen deze populaties. Die informatie is cruciaal om te bepalen of het virus beperkt blijft tot een klein gebied of dat het zich breder kan verspreiden.”
Lokale besmettingen
Tot nu toe had 2 procent van de geteste dieren volgens de studie antilichamen aangemaakt tegen het virus. “Antilichamen tonen aan dat een dier op enig moment in zijn leven is blootgesteld aan het virus. Een percentage van ongeveer 2 procent betekent dat het virus circuleert, maar nog op een relatief laag niveau. Het houdt niet in dat 2 procent van de dieren nu besmettelijk is, alleen dat zij in contact zijn geweest met het virus. Dit lage percentage wijst erop dat het virus aanwezig is, maar nog niet wijdverspreid onder alle kuddes of regio’s. Wel bevestigt het dat er lokale transmissie plaatsvindt. Voortgezette monitoring is daarom belangrijk om te zien of dit percentage in de toekomst stijgt”, aldus Bernard tegen Scientias.
Mensen zijn nog niet besmet geraakt in Frankrijk, maar dat kan veranderen. Daarom zijn er al verschillende maatregelen getroffen. “Ten eerste zijn de surveillancesystemen versterkt: teken, dieren en zelfs mensen met onverklaarbare koorts worden gevolgd in gebieden waar het virus is aangetroffen. Ten tweede krijgen dierenartsen en boeren voorlichting over risicobeperking. Ze moeten bijvoorbeeld handschoenen dragen als ze in aanraking komen met bloed of weefsel en dieren op teken controleren. Ten derde bereiden de gezondheidsautoriteiten de diagnostische capaciteit in ziekenhuizen voor, zodat een vermoedelijk menselijk geval snel kan worden herkend en geïsoleerd. Deze maatregelen moeten ervoor zorgen dat een eventuele overdracht snel wordt ontdekt en verdere verspreiding wordt voorkomen.”
De rol van klimaatverandering
Maar de grote vraag is hoe zo’n toch enigszins exotisch virus plots midden in Europa kan voorkomen. Klimaatverandering speelt daar een rol in. “Hogere temperaturen en langere zomers scheppen gunstigere omstandigheden voor teken zoals Hyalomma marginatum, die daardoor in nieuwe, noordelijkere gebieden kunnen overleven en zich voortplanten. Ook veranderingen in neerslag beïnvloeden vegetatie en de aanwezigheid van wilde gastheren, die essentieel zijn voor de bloedmaaltijden van teken. Dat betekent dat klimaatverandering waarschijnlijk het geografische verspreidingsgebied van met dit virus besmette teken vergroot en het seizoen waarin ze actief zijn verlengt. Daardoor kunnen delen van Europa die voorheen weinig of geen risico kenden, in de toekomst vaker met dit virus te maken krijgen.”
Daarom is verder onderzoek zo belangrijk. “De volgende stap is beter te begrijpen hoe het virus circuleert: welke dieren er het meest betrokken zijn, hoe teken het virus in verschillende omgevingen overdragen, welke tekensoorten verantwoordelijk zijn voor de transmissie en of het virus zich uitbreidt naar nieuwe regio’s.
Voor mensen ligt de nadruk voorlopig op preventie. “We moeten blootstelling aan teken beperken, beschermende middelen gebruiken en bewustwording vergroten bij mensen die nauw contact hebben met dieren. Als het virus zich verder verspreidt of als er menselijke gevallen optreden, kunnen vaccins of specifieke beschermingsmaatregelen voor risicogroepen noodzakelijk worden”, besluit de onderzoeker.



