In een Australische grot zijn stokoude sporen gevonden van rituelen die werden uitgevoerd met het as van gras.
In Cloggs Cave, in het zuidoosten van Australië, zijn bijzondere plantenresten gevonden. Ze laten zien dat de voorouders van de GunaiKurnai, een stam die onder de Aboriginals valt, complete grasplanten naar de grot brachten. Daar spreidden ze het gras uit in dunne lagen en staken het in brand. Volgens gebruikten ze het as om verschillende rituelen mee uit te voeren. Het onderzoek is te vinden in Frontiers in Environmental Archaeology.
Vervloeken en genezen
De GunaiKurnai zijn de traditionele beheerders van Gippsland en de zuidelijke uitlopers van de Australische Alpen. In dat gebied liggen verschillende grotten die werden gebruikt voor rituelen. Deze rituelen hadden onder andere te maken met magie, genezing, vervloeking en contact met de geestenwereld. Ze werden uitgevoerd door spirituele specialisten, onder wie invloedrijke mannen en vrouwen die ‘mulla-mullung’ werden genoemd.
Cloggs Cave was waarschijnlijk ook zo’n bijzondere plek. De grot ligt verstopt in het landschap waardoor er weinig licht binnen komt. Daardoor groeien er binnen geen planten. Alle plantenresten die archeologen daar wel vinden zijn dus door mensen of dieren naar binnen zijn gebracht.
Onderzoekers uit Australië, Frankrijk en Nieuw-Zeeland bekeken microscopisch kleine plantenresten die in de bodem van de grot te vinden zijn. Het gaat om fytolieten: piepkleine deeltjes van silica die zich in planten vormen. Ze blijven vaak bewaard nadat de rest van de plant al lang is vergaan.
Leestip: Aborginals geven al 12.000 jaar lang, 500 generaties (!), exact hetzelfde ritueel aan elkaar door
“Fytolieten hopen zich meestal op op de plek waar een plant vergaat”, legt onderzoeker Elle Grono van de Australian National University uit. “Omdat er in de grot geen planten groeien, moeten deze deeltjes door mensen of dieren naar binnen zijn gebracht.”
De onderzoekers bestudeerden duizenden fytolieten uit twee opgravingsputten van 1,5 en 2,3 meter diep. In de bovenste lagen vonden ze 73 dunne lagen met as. Deze lagen ontstonden tussen ongeveer 4.400 en 1.600 jaar geleden. De ouderdom werd bepaald met koolstofdatering en met een techniek die meet wanneer grondkorrels voor het laatst aan licht zijn blootgesteld.
Tussen de aslagen lag ook een rechtopstaande steen van ruim 28 centimeter hoog. Eerder onderzoek liet zien dat deze steen ongeveer 2.000 jaar geleden bewust in de grot was geplaatst. Rond de steen werd gedurende honderden jaren herhaaldelijk plantaardig materiaal verbrand.
De meeste fytolieten kwamen van grassen. Resten van houtige planten en kruiden waren veel zeldzamer. Dat is opvallend, omdat de grot vroeger omgeven was met dat soort plantensoorten. De grassen behoorden tot soorten die waarschijnlijk een stukje verder weg gevonden konden worden. Dat laat zien dat de mensen dus vooral op zoek waren naar bepaalde grassoorten om te verbranden. Grono voegt toe: “De fytolieten waren afkomstig uit verschillende delen van de grasplant. Dat laat zien dat hele grassen werden meegenomen, ook de delen die niet eetbaar waren.”
Houten stokken
Bijna een vijfde van de onderzochte fytolieten was verbrand of deels gesmolten. Juist die sporen zijn belangrijk. In de grot zijn namelijk ook oude uitwerpselen van buidelratten gevonden. Deze dieren aten eveneens gras en andere planten. Hun uitwerpselen bevatten daarom ook fytolieten. De verbrande fytolieten zijn daarom het duidelijkste bewijs dat specifiek mensen de planten naar binnen brachten en daar verbrandden. Onverbrande resten kunnen namelijk door zowel mensen als door dieren in de grot zijn beland.
Het verbranden van gras past bij bekende tradities van de GunaiKurnai. Het as kon worden gebruikt tijdens rituelen, maar ook om voetsporen zichtbaar te maken van mensen of spirituele wezens die de grot binnengingen. In diepere en oudere lagen vonden archeologen eerder al korte houten stokken die waren bewerkt en met vet waren ingesmeerd. Ook die voorwerpen worden in verband gebracht met rituele handelingen.
De vondst is belangrijk, omdat planten meestal weinig duidelijke sporen achterlaten: hout, bladeren en gras vergaan immers snel. Het onderzoek laat zien dat fytolieten duizenden jaren in de bodem blijven zitten. Daardoor kunnen ze archeologen een unieke blik op het verleden geven.
We schreven vaker over dit onderwerp, lees bijvoorbeeld ook Het Atlantis van de Aboriginals: voor het eerst onderzeese sporen van de Aboriginals ontdekt en ‘Aboriginals leefden al 50.000 jaar eerder in Australië dan gedacht’ . Of lees dit artikel: De eerste Aboriginals trokken al snel het droge binnenland in .
Uitgelezen? Luister ook eens naar de Scientias Podcast:


