Nieuw onderzoek verandert onze kijk op de nog altijd tamelijk mysterieuze metaaldeposities: bijlen, zwaarden en sieraden die in de Bronstijd op specifieke plekken in het landschap werden achtergelaten.

Je iPad begraven naast een rivier. Of je iPhone bewust in een moeras laten vallen. De meesten van ons moeten er niet aan denken. Maar in de Bronstijd gebeurde iets soortgelijks regelmatig. Mensen lieten voorwerpen die grote waarde hadden en die ze veelvuldig en goed konden gebruiken ‘zomaar’ achter in het landschap. Deze zogenoemde metaaldeposities zijn een hoofdpijndossier gebleken voor archeologen. Want waarom deden mensen dat?

Handeling
Het is een vraag waar de Leidse archeoloog Marieke Visser zich niet aan wil branden. Maar in haar promotieonderzoek heeft ze wel nader onderzoek gedaan naar de handeling zelf: het achterlaten van die kostbare spullen. En de studie onthult dat het in de Bronstijd de normaalste zaak van de wereld moet zijn geweest.

Niet irrationeel
“Het waren geen irrationele handelingen,” zo vertelt Visser aan Scientias.nl. “Vanuit onze moderne ideeën over economie vinden we het vreemd dat je het kostbaarste dat je bezit zomaar weggooit. Dat noemen we dan irrationeel, en dan wordt het nogal eens afgedaan als ‘ritueel’. Maar de schaal waarop men bronzen voorwerpen weggooide, en de patronen in de vondsten, laten zien dat dit niet zomaar irrationele handelingen waren. Er zaten breed gedeelde ideeën en conventies achter, die waarschijnlijk niet van bovenaf opgelegd waren, maar iedereen deed simpelweg hetzelfde omdat het toen voor de mensen vanzelfsprekend was om dit te doen.”

Onderzoek
Visser trekt die conclusie nadat ze metaaldeposities in drie verschillende landen – Denemarken, Duitsland en Nederland – analyseerde. “Denemarken neemt in het vakgebied een bijzondere plek in. Ten eerste omdat er zeer veel vondsten uit de Bronstijd gedaan zijn, en dit terwijl er van nature geen bronnen van koper en tin voorkomen, dus al het metaal moest van ver geïmporteerd worden. En ten tweede omdat het onderzoek naar de prehistorie in het algemeen en metaaldeposities in het bijzonder al vroeg – in de negentiende eeuw – op gang kwam in Denemarken. Er bestaat dus een rijke onderzoekstraditie die van grote invloed is geweest op het onderzoek naar metaaldeposities. In Noordwest-Duitsland en Nederland zijn gelijkaardige vondsten gedaan, zij het op kleinere schaal. Toch zijn deze landen nooit als geheel in één onderzoek behandeld, maar hebben eerdere onderzoeken zich vooral tot landsgrenzen beperkt. Hierdoor blijven patronen en overeenkomsten verborgen, die nu wel aan het licht gekomen zijn.”

Patronen
En die patronen onthullen dat de metaaldeposities niet zomaar verloren voorwerpen zijn. “Ze zijn bewust achtergelaten in het landschap,” stelt Visser. “Tegelijkertijd werden in een deel van de onderzoeksperiode ook bronzen voorwerpen in graven gelegd bij de doden. Maar men maakte duidelijke keuzes wat betreft welke voorwerpen aan de doden werden meegegeven, en welke juist in het landschap achtergelaten werden.”

Bijlen
Zo wijst het onderzoek van Visser bijvoorbeeld uit dat bijlen in het hele onderzoeksgebied afzonderlijk in het landschap gedeponeerd werden. “Vanaf ongeveer 2000 voor Christus bijna uitsluitend op natte plekken in het landschap,” zo vertelt ze. “En bijlen werden juist bijna nooit als grafgiften gebruikt.” En tussen 2000 en 1800 voor Christus werden in het gehele gebied ook dolken en hellebaarden afzonderlijk op natte plaatsen gedeponeerd. “Dit is een zeer wijdverbreid en duidelijk patroon.”

Deze bijl – van het type Oldendorf – stamt uit de periode tussen 1600 en 1500 voor Christus en werd gebruikt als gereedschap. De bijl is waarschijnlijk meerdere malen opnieuw geslepen, wat duidt op intensief gebruik. Dit type bijl werd voornamelijk afzonderlijk gedeponeerd op natte plekken in het landschap, zoals moerassen en venen, en niet als grafgift meegegeven in graven. Een goed voorbeeld van selectieve depositie. Afbeelding: Marieke Visser.

Afgaand op wat Visser in de drie landen heeft gezien, concludeert ze dat de metaaldeposities – hoe vreemd ze in onze ogen ook mogen lijken – in de Bronstijd niet vreemd of irrationeel moeten zijn geweest. “Over de hele Bronstijd zijn er ongelooflijk veel deposities gevonden. Als je die systematisch gaat onderzoeken, kijkt naar welk voorwerp op welke plek, dan kom je achter de conventies. Dat laat zien dat het niet per ongeluk verloren voorwerpen waren. Er zitten duidelijke patronen in. Dit is met opzet gebeurd.”

Verklaring
Grote vraag blijft natuurlijk ook na dit onderzoek waarom mensen kostbare objecten in het landschap achterlieten. Sommige onderzoekers denken dat in ieder geval een deel van de metaaldeposities samenhangt met religie. Maar Visser heeft moeite met die verklaring. “‘Religie’ is een problematische term, omdat er geen algemene definitie van is,” vertelt ze. “Door de eeuwen heen heeft de term verschillende definities gehad, en de term is gekleurd door onze moderne opvatting van religie. Dit idee kunnen we niet zomaar projecteren op de Bronstijd, omdat we niet kunnen weten hoe mensen toen over ‘religie’ dachten. Daarnaast wordt er in onderzoek naar metaaldeposities vaak uitgegaan van een tweedeling tussen religieuze en profane deposities, maar deze tweedeling is een product van de Verlichting. Dit is dus een modern concept dat we ook niet zomaar kunnen projecteren op de Bronstijd.”

Over alternatieve motieven of intenties van de mensen die in de Bronstijd leefden, wil Visser liever niet speculeren. “Dat is al decennialang door archeologen gedaan, vaak door middel van verklaringen als religieuze of rituele handelingen, en die benadering heb ik juist niet gekozen omdat we daar niet verder mee komen in het onderzoek naar metaaldeposities. Ik heb ervoor gekozen om op de handelingen zelf te focussen, welke voorwerpen men precies uitkoos en welke plekken in het landschap. Ik heb dus gefocust op de wat, het hoe en het waar, om de logica achter deze breed gedeelde handelingen te achterhalen.” En op basis daarvan kunnen we voor nu in ieder geval concluderen dat de voor ons nog altijd bijzondere en raadselachtige metaaldeposities in de ogen van mensen die in de Bronstijd leefden, heel gewoon en logisch moeten zijn geweest.