Onderzoekers hebben ontdekt dat hommels kunnen leren om onderscheid te maken tussen lange en korte lichtflitsen, een beetje zoals de punten en strepen uit morsecode. Dit vermogen was tot nu toe alleen waargenomen bij mensen en een aantal gewervelde dieren.
In morsecode worden letters en cijfers voorgesteld door combinaties van korte en lange signalen: de bekende ‘punten’ en ‘strepen’. Voor mensen is dat systeem relatief eenvoudig te begrijpen, maar van een insect met een brein dat kleiner is dan een kubieke millimeter zou je niet verwachten dat het zulke verschillen kan waarnemen.
Wetenschappers van de Queen Mary University of London wilden weten of dat wel klopt. Om dat te testen, richtten ze een doolhof in. Daarin knipperden twee cirkels met licht: de ene met snelle korte flitsen en de andere met trage lange. Bij de ‘goede’ cirkel wachtte een beloning in de vorm van een druppel suikerwater. Bij de verkeerde lag een bittere vloeistof, iets waar deze diertjes een gloeiende hekel aan hebben.
Niet zomaar plaats onthouden
De onderzoekers goochelden ondertussen met de posities: in elke kamer wisselden de cirkels van plek, zodat de hommels niet konden sjoemelen door simpelweg te onthouden waar de suiker stond. Ze moesten echt letten op de duur van de flitsen, niet op de hoek van de kamer of een vast plekje.
Toen de hommels eenmaal waren getraind, kwam de echte vuurproef. De lichten knipperden opnieuw, maar nu zonder suiker of bitter spul. Zo testten de onderzoekers of de dieren reageerden op de flitsen zelf en niet op een geurtje of ander signaal van de beloning. En ja hoor: de meeste hommels kozen feilloos voor de juiste flitsduur, ongeacht waar de cirkel hing.
Komt niet voor in de natuur
Wat dit zo fascinerend maakt, is dat hommels in de natuur nooit met knipperende lichten te maken krijgen. Bloemen flitsen immers niet als een discobal. Toch pikten de diertjes dit volkomen kunstmatige signaal opvallend snel op.
De wetenschappers zien hiervoor twee mogelijke verklaringen. Het kan een uitbreiding zijn van hun natuurlijke talent om tijd te meten, bijvoorbeeld om afstanden in te schatten tijdens het vliegen naar een bloem, of om met soortgenoten te ‘praten’ via trillingen en dansjes. Of het zit dieper: misschien is het vermogen om tijdsduur te coderen een basisingrediënt van elk zenuwstelsel, iets dat gewoon in de bedrading van hersencellen is ingebouwd.
Nog niet bekend hoe dit komt
Hoe hommelhersenen dit precies voor elkaar krijgen, blijft voorlopig een raadsel. Bekende tijdmeters in dieren, zoals het circadiaanse ritme dat ons slaap-waakpatroon stuurt, tikken veel te traag om het verschil tussen een kort ‘puntje’ en een lang ‘streepje’ bij te benen. Misschien hebben alle dieren wel een reeks ‘mini-klokjes’ in hun kop, maar dat moeten toekomstige experimenten uitwijzen.
Wat wel vaststaat, is dat dit de eerste keer is dat zo’n precisie-tijdwaarneming bij een ongewerveld dier als een insect wordt waargenomen. Apen zoals makaken deden het al in labtests, duiven eveneens, maar een hommel? Dat is nieuw.
Deze vondst reikt verder dan de bijenkorf. AI-systemen, die vaak zijn geïnspireerd op echte hersenen, moeten met zo min mogelijk rekenkracht complexe taken aankunnen. Hommels bewijzen dat je met een handvol neuronen al wonderen kunt verrichten. En daar kunnen we nog veel van leren.


