Zwangere vrouwen krijgen in de meeste Westerse landen het advies om extra vitamine D te slikken. In Nederland en België wordt 400 internationale eenheden (IE) per dag aangeraden, ofwel 10 microgram. Maar wat als die standaarddosis te laag is voor een optimale hersenontwikkeling?
Vitamine D wordt vooral in verband gebracht met sterke botten, maar speelt ook een rol bij de hersenontwikkeling van de foetus. Bij mensen blijkt uit eerder observationeel onderzoek dat moeders met een tekort vaker kinderen krijgen met aandachts- of ontwikkelingsproblemen. Maar zulke observationele studies zijn altijd lastig: misschien hangt vitamine D-tekort samen met armoede, minder zonlicht of iets anders dat het brein van het kind beïnvloedt. Wat je nodig hebt, is een gerandomiseerde studie.
De opzet van deze studie
Onderzoekers uit Denemarken hebben tussen 2009 en 2010 623 zwangere vrouwen verdeeld in twee groepen. De helft kreeg de standaarddosis van 400 IE vitamine D3 per dag, de andere helft een veel hogere dosis van 2.800 IE per dag. Dat gebeurde vanaf zwangerschapsweek 24 tot een week na de bevalling. Het oorspronkelijke doel was om te kijken of supplementatie astma bij de kinderen zou voorkomen. Dat bleek niet het geval.
De kinderen werden desalniettemin opgevolgd en op hun tiende verjaardag kregen 498 van hen een uitgebreid neuropsychologisch onderzoek. In totaal werden elf cognitieve functies getest, zoals aandachtsspanne, taalvermogen, verbaal werkgeheugen en planningsvaardigheden.
Leestip: Bang dat je vitamine B12 tekort komt? Deze nieuwe soort sla lost dat probleem op
Wat ze vonden
Op drie van die elf functies presteerden de kinderen van moeders met de hoge dosis duidelijk beter dan die van moeders met de standaarddosis. Het gaat om verbaal geheugen, visueel geheugen en cognitieve flexibiliteit (het vermogen om snel tussen mentale taken te schakelen). Op de overige acht functies was er geen verschil.
De effecten waren wel niet zo groot. Er was slechts een kleine afwijking van het gemiddelde zichtbaar. Opvallend was wel dat ze vooral met geheugen te maken hadden.
Een paar kanttekeningen
Dit was een post hoc analyse. Dat betekent dat de onderzoekers van tevoren niet hadden gepland om cognitie te onderzoeken, maar achteraf naar de data zijn gaan kijken. Wie genoeg uitkomsten in een dataset onderzoekt, vindt vroeg of laat statistische toevalligheden die eruit zien als een effect. De onderzoekers hebben daarvoor gecorrigeerd met een statistische techniek (de zogenaamde false discovery rate) en daarna bleef de factor cognitieve flexibiliteit niet meer significant. Alleen de resultaten voor verbaal en visueel geheugen hielden stand.
Het onderzoek vond bovendien plaats in Denemarken, in een cohort dat overwegend wit was en gemiddeld geen vitamine D-tekort had. In bevolkingsgroepen die vaker tekorten hebben, zou een hoge dosis dus mogelijk meer kunnen doen.
Zoals eerder vemeld bleek bij 8 van de 11 cognitieve functies bovendien geen verschil, inclusief bij het IQ zelf. Spreken over “slimmere kinderen” zou dus echt overdreven zijn.
Nog een laatste opmerking is dat een te hoge dosis vitamine D niet onschuldig is. Te veel vitamine D kan leiden tot een teveel aan calcium in het bloed en dat heeft negatieve effecten op nieren en hart. De gebruikte dosis (2.800 IE) ligt nog onder de officiële bovengrens (4.000 IE), maar zelfdosering boven het aangeraden niveau is zeker niet altijd een goed idee. Zoals altijd bij zulke medische studies geldt: praat erover met je arts.
Uitgelezen? Luister ook eens naar de Scientias Podcast:


