Nou, door poep te verbranden. En plas. En je CO2-uitstoot te meten. Diederik legt uit hoe het zit in deze short:
In een vorige video liet ik zien dat we weten hoeveel calorieën er in eten zit door het te drogen en in brand te steken. Maar toen vroeg iemand superslim: “Ja, maar hoe weet je dan dat koolhydraten 4 calorieën hebben en vetten 9?! En weer iemand anders vroeg zich af: Maar hoe zit het dan met onverteerbare vezels? Die branden toch ook maar kan je lichaam niks mee.
Topvragen. En deze vragen had Wilbur Atwater eind 19e eeuw ook.
Hij probeerde uit te zoeken: hoeveel energie haalt een mens nou écht uit voedsel?
Want ja — je kunt eten in een bomcalorimeter stoppen en meten hoeveel warmte het afgeeft als je het in brand steekt, maar… mensen zijn geen verbrandingsovens, wij verteren. En sommige dingen — zoals vezels — verteren we helemaal niet.
Atwater stopte mensen in zogenaamde respiratiekamers. Een soort gevangeniskamer waarin hij mensen dagenlang liet verblijven en hij hield heel veel nauwkeurig bij: Hoeveel zuurstof ze inademden en hoeveel CO₂ ze uitademden, wat hun lichaamstemperatuur was, hoeveel voedsel er bij ze in ging en… wat er onverteerd weer uitkwam.
De ontlasting werd gedroogd en vervolgens verbrand in een calorimeter. Zo bepaalde hij hoeveel energie niet werd opgenomen door het lichaam.
En urine? Die zet je niet in brand, maar daar zit ureum in — een afbraakproduct van eiwitten. Door de stikstof in urine te meten, kon Atwater berekenen hoeveel eiwit niet werd benut.
En zo kwam hij door slim te meten, een beetje scheikunde en poep te verbranden uit op de bekende cijfers: 4 calorieën per gram koolhydraten, 4 calorieën voor een gram eiwit en 9 voor vet.



