De Olympische Winterspelen zijn er! En daar zit best wat interessante natuurkunde achter. We beginnen bij de klapschaats:
In de jaren tachtig lag de klapschaats al klaar. Onderzoekers van de VU Amsterdam hadden het concept ontwikkeld, maar in de schaatswereld werd het vooral weggezet als een vreemd, “lelijk” hulpmiddel voor minder getalenteerde rijders. Topsport is nu eenmaal conservatief: wat afwijkt, voelt als valsspelen. Tot er iemand kwam die met dat afwijkende idee opeens onverklaarbaar hard ging.
Dat kantelpunt kwam toen Tonny de Jong onverwachts indruk maakte met de Klappschlittschuh en zelfs een grootheid als de Duitse Gunda Niemann wist te verrassen. Vanaf dat moment veranderde de discussie. Niet langer: hoort dit wel? Maar: waarom werkt het zo goed?
Natuurkunde op het ijs
Het antwoord is pure natuurkunde. Bij een vaste schaats ben je gedwongen je afzet vroegtijdig af te breken. Zodra je je been te ver strekt, dreigt de punt van het ijzer in het ijs te boren. Je enkels en kuiten hebben bovendien een begrensde bewegingsuitslag. De klapschaats lost dat elegant op: het ijzer klapt weg terwijl je voet doorgaat. Daardoor kun je je been wél volledig strekken, wordt je slag langer en lever je meer arbeid. Meer arbeid betekent meer energieoverdracht naar het ijs, en dus meer snelheid.
Nee voor shorttrack!
Toch blijft één discipline hardnekkig immuun: shorttrack. Daar draait het om explosief starten, alsof je een sprint trekt, en het veersysteem reageert daarvoor te traag. In de bochten hangen rijders onder extreme hoeken, met enorme middelpuntzoekende krachten. Dan wil je maximale stijfheid en stabiliteit, geen scharnier. En er is nog iets: shorttrack is een contactsport. Een openslaand ijzer in een valpartij kan werken als een vlindermes. Dat is geen innovatie, dat is een risico dat je niet neemt.



