De binnenkant van je lichaam minutieus onderzoeken zónder dat er een chirurg aan te pas komt, dat klinkt bijna als science fiction. Toch is het de dagelijkse realiteit met de MRI-scan, die in bijna elk ziekenhuis te vinden is. Diederik legt uit hoe het werkt.
Let op: in de video zijn per ongeluk beelden van een CT-scan gebruikt, waar een MRI-scan bedoeld wordt.
De ontdekking van Röntgen
In 1895 ontdekte Wilhelm Röntgen een straling die door de huid en spieren heen ging, maar juist werd tegengehouden door bot of metaal. Het was even schrikken toen zijn vrouw een foto met haar hand zag waar enkel haar botten en de trouwring op zichtbaar waren: het was alsof ze de dood in de ogen keek. Hoewel zijn vinding een grote sprong voorwaarts was in de geneeskunde, had Röntgen niet kunnen voorstellen wat er vandaag de dag mogelijk is.
Stralingsloos een ‘3D-scan’ van het lichaam maken
Röntgenstraling blijft straling – en daarmee niet zonder risico’s. Er is een reden dat een arts afstand houdt van het apparaat: herhaaldelijke, dagelijkse blootstelling aan de straling is immers niet gezond. Gelukkig hebben we tegenwoordig de MRI-scan. Waar röntgen het vooral moet hebben de hoeveelheid straling die geabsorbeerd wordt, werkt MRI juist met het onderdeel waar ons lichaam voor het grootste deel uit bestaat: water.
In water zitten waterstofatomen, die je met een magneetveld een bepaalde kant op kan zetten. Dat kun je vergelijken met kompasnaaldjes. In een MRI-scanner zit dan ook een heel krachtige magneet die de deeltjes een bepaalde kant op kan zetten. Vervolgens stuurt het apparaat een radiopuls de deeltjes in je lichaam even uit balans duwt. We hebben nu dus een referentiepunt (een magneet die de deeltjes op een bepaald punt vasthoudt) én een gecontroleerde afwijking (dankzij de radiopuls). Maar daarmee zijn we er nog niet.
Net zoals een bord dat uit je handen valt, willen de deeltjes ook maar één kant op: terug naar de ‘startpositie’ waarin de magneet het houdt. Zodra de radiopuls stopt, ‘vallen’ de deeltjes terug naar die positie, maar net zoals het gewicht wat je uit je handen laat vallen, verschilt de tijd voor het de grond raakt. Vet, water en spiermassa hebben allen hun eigen ‘gewicht’ en daarmee tijd om ‘terug te keren’ naar hun startpositie.
De computer meet deze tijd en kan daarmee een ‘3D-scan’ van het lichaam maken. Waar een gemiddelde MRI-scan structuren tot ongeveer één millimeter kan zien, kunnen nieuwere MRI-apparaten zelfs tot een tiende van een millimeter zien. In theorie kan je nog verder ‘inzoomen’, de sterkte van de magneet bepaalt de limiet. Je zou het kunnen vergelijken met de hoeveelheid megapixels van de camera in je telefoon.
We schreven vaker over dit onderwerp, lees bijvoorbeeld ook: Robot opereert in een MRI-scanner of Oorzaak long covid te zien op MRI: Verwoestende impact op controlecentrum van het brein



