Hoe weten we hoe leefbare planeten eruit moeten zien? En veel meer over… buitenaards leven!
Wetenschappers zoeken al decennia naar buitenaards leven, en de kans dat het bestaat wordt steeds groter. Maar hoe weten ze nou hoe die planeten eruit zien? In onze Melkweg alleen al zijn honderden miljarden sterren, en inmiddels denken we dat er gemiddeld minstens één planeet per ster is. Dan zijn er dus een paar honderd miljard planeten waar leven ook op kan evolueren. Hoeveel planeten er zijn weten we pas een jaar of vijfentwintig, toen we steeds meer leerden hoe je planeten bij andere sterren kunt vinden.
Het probleem: sterren stralen veel licht uit, planeten niet. En ze zijn ontzettend ver weg. Je ziet dus geen planeet, alleen het sterlicht. Maar als een planeet precies voor de ster langs beweegt, wordt het sterlicht een heel klein beetje zwakker. Daar kun je dus planeten mee opsporen.
Maar dan weet je nog niks over de planeet zelf. Door het sterlicht goed te analyseren, zie je soms dat het licht een beetje blauwer en dan weer roder wordt en dat komt door de aantrekkingskracht van de planeet. De ster beweegt zelf ook een beetje door de zwaartekracht van de planeet. Hoe groter die beweging, hoe zwaarder de planeet.
Uit het sterlicht kun je ook afleiden welke atomen in de ster zitten en hoe fel hij brandt — en daarmee hoe zwaar hij is. Zo leer je hoe groot de planeet is, hoe snel hij rond de ster draait en op welke afstand — dus ook hoe warm of koud het daar is. Als er sterlicht door de atmosfeer van de planeet gaat, kun je zelfs iets zeggen over de samenstelling van die atmosfeer.
Kortom: met een paar slimme trucs kun je steeds meer leren over zo’n verre exoplaneet. Bizar wat we allemaal uit een beetje sterlicht kunnen halen. Voor je het weet, vinden we écht buitenaards leven.



