Het uitzetten van grote zoogdieren in het noordpoolgebied om klimaatverandering te vertragen, heeft volgens onderzoekers weinig zin.

Door de opwarming van de aarde ontdooit permafrost; de voorheen permanent bevroren bodem die we vooral kennen uit het Arctisch gebied. Hierdoor lekken er broeikasgassen – waaronder koolstofdioxide en methaan – de atmosfeer in, wat op hun beurt weer klimaatverandering versterkt. Om verdere dooi van permafrost te voorkomen, hebben sommige wetenschappers geopperd grote zoogdieren, zoals bizons en paarden, in de kwetsbare gebieden los te laten. Maar heeft dat eigenlijk wel zin?

Struiken
Om dit te begrijpen, gaan we eerst even terug in de tijd. Ongeveer 14.000 jaar geleden, tegen het einde van de laatste ijstijd, maakten met gras begroeide landschappen steeds meer plaats voor struikgewas. Tegelijkertijd stierven verschillende iconische zoogdiersoorten – waaronder de befaamde wolharige mammoet – uit. Sommige wetenschappers vermoeden dan ook dat de verdwijning van deze zoogdieren leidde tot de toename van struiken. Want er waren ineens geen beesten meer die de vegetatie vertrapten en voedingsstoffen terug de grond in stampten.

Uitzetten zoogdieren
Tegenwoordig, met de sterke Arctische opwarming, zien we eveneens een toename van struikgewas in noordelijk gelegen toendragebieden. Sommige wetenschappers bepleiten dan ook dat het herintroduceren van grote zoogdieren de trend van de toenemende struikbedekking zou kunnen keren. Bovendien is de verwachting dat hierdoor koolstof in de grond opgeslagen blijft. Dit komt omdat laaggroeiende vegetatie de grond blootstelt aan koudere omstandigheden dan struikgewas. En dus blijven de grond én de schadelijke broeikasgassen die het bevat, bevroren.

Tegengestelde hypotheses
Het zou betekenen dat grote zoogdieren de smelt van permafrost en de broeikasgassen die er tijdens dit proces de atmosfeer in worden gepompt, zouden kunnen terugdringen. De vraag is echter of dit plan daadwerkelijk werkt. Tegenstanders beweren namelijk dat niet de verdwijning van zoogdieren leidde tot de toename van struiken, maar dat het net andersom is: klimaatverandering zorgde voor verandering in vegetatie, waardoor verscheidene dieren over de kling werden gejaagd. Onderzoekers besloten de onderste steen boven te halen. “In onze studie hebben we twee tegengestelde hypotheses onderzocht,” vertelt onderzoeker Mary Edwards. “Verdwenen de dieren door de opmars van struiken? Of kwamen er meer struiken doordat er geen grote zoogdieren meer waren?”

Studie
De onderzoekers analyseerden fossiel stuifmeel, dat duizenden jaren in meersedimenten in Alaska en Yukon bewaard is gebleven. Het team slaagde erin het precieze moment waarop struiken in deze regio dominanter werden, heel nauwkeurig te bepalen. Daarnaast maakten ze een schatting van de veranderende populatieomvang van de aantallen paarden, bizons, mammoeten en elanden.

Klimaatverandering
Het onderzoek verschaft nieuw inzicht in de reden waarom grote zoogdieren tegen het einde van de ijstijd uitstierven. De resultaten tonen namelijk aan dat een opwarmend klimaat de verandering in vegetatie veroorzaakte. Dat blijkt uit het feit dat verschillend struikgewas ongeveer 14.000 jaar geleden in Alaska en Yukon steeds dominanter werd, terwijl op dat moment grote grazende zoogdieren nog steeds overvloedig in het landschap aanwezig waren. Door deze snelle uitbreiding van struiken, ontstond er vervolgens een ongeschikt leefgebied voor veel dieren – waaronder de noodlottige mammoet – die deze veranderingen uiteindelijk met hun leven moesten bekopen.

Weinig zin
Kortom, de bevindingen suggereren dat klimaatverandering duizenden jaren geleden dus de boosdoener was van de toename van struiken. En dus heeft het uitzetten van grote zoogdieren in het noordpoolgebied om klimaatverandering te vertragen volgens onderzoekers weinig zin. “De hypothese dat de herintroductie van megafauna de dooi van permafrost kan voorkomen of vertragen, wordt ondersteund door het idee dat Pleistocene megafauna een belangrijke rol speelde bij de instandhouding van het ecosysteem in de ijstijd,” legt Benjamin Gaglioti uit. “Maar in tegenstelling tot deze voorspelling, laten onze resultaten zien dat ecosystemen op hoge breedtegraden gevoelig waren voor opwarming. Het betekent dat de herintroductie van grote zoogdieren vandaag de dag weinig zal doen om ecosystemen te beschermen tegen de door de mens veroorzaakte klimaatverandering.”

Grazende zoogdieren zullen dus helaas het smeltende permafrost – en dus de uitstoot van broeikasgassen – niet kunnen verminderen. Struiken zullen zich door klimaatverandering hoe dan ook over het landschap blijven verspreiden. “Zelfs mammoeten zouden er niets aan kunnen veranderen,” zegt onderzoeker Duane Froese. “Wederom is bewezen dat het klimaat de belangrijkste drijfveer is.”