Zo’n negen op de tien mensen pakken een pen vanzelf met rechts. Bij honden ligt het anders: als groep kiezen ze geen duidelijke kant, terwijl heel wat individuele dieren wél steeds dezelfde poot gebruiken. Hoe meet je zo’n voorkeur dan betrouwbaar? Een Italiaans team denkt daar nu een antwoord op te hebben.
Het instrument heet de ‘Doginburgh Inventory’ en is geënt op de Edinburgh Handedness Inventory, bij mensen al decennia de standaard voor handvoorkeur. Onderzoekers van de Universiteit van Bari bouwden er een hondenversie van die vier taken samenbrengt in één score, in plaats van een dier op één test af te rekenen. Zo wordt niet alleen zichtbaar welke poot een hond voortrekt, maar ook hoe sterk die voorkeur is. En juist dat laatste lijkt iets te zeggen over emoties, stress en welzijn.
Waarom één test tekortschiet
De voorkeurspoot van een hond is geen vast gegeven. Welke poot een dier inzet, hangt erg af van de taak: een hond die zijn speeltje met links vastklemt, kan de trap juist met rechts af stappen. Losse tests spreken elkaar daardoor vaak tegen. Toch leunt een groot deel van het onderzoek tot nu toe op een enkele proef, en de studies die wel meerdere taken gebruiken, bekijken die meestal los van elkaar.
Bij mensen pakken ze het slimmer aan. De Edinburgh Handedness Inventory bundelt tien dagelijkse handelingen tot één profiel en geeft elke taak hetzelfde gewicht. Zo’n geïntegreerde blik ontbrak in het diergedragsonderzoek volledig. Precies dat gat wilde het team uit Bari dichten.
Vier tests, van Kong tot trap
De Doginburgh Inventory steunt op vier proeven: twee waarin de hond iets vastpakt en twee die naar zijn manier van bewegen kijken. In de eerste, de bekende Kong-test, moet de hond een met voer gevuld speeltje met één poot op zijn plek houden om erbij te kunnen. In de tweede reikt hij met een poot naar een stukje voer dat net buiten bereik onder een meubel ligt. De andere twee draaien om lopen: de ene keer stapt de hond vanuit stilstand een trap af, de andere keer stapt hij tijdens een gewone wandeling van een verhoging. Die laatste, dynamische looptest is nieuw en komt het dichtst bij hoe een hond van nature beweegt.
Aan het onderzoek begonnen 47 gezonde honden van uiteenlopende rassen, allemaal niet-gecastreerd. Wie minstens drie van de vier tests succesvol afrondde, kwam in de uiteindelijke analyse terecht: 43 honden haalden die eindstreep. Per taak deden de dieren flink wat herhalingen, zestien bij de Kong-test en de twee looptests en tien bij de reiktest onder het meubel.
Van pootjes naar een cijfer
Hoe vertaal je al dat gepoot naar een bruikbaar getal? Per test telt het systeem hoe vaak een hond links of rechts kiest en zet dat om op een schaal die loopt van honderd procent links tot honderd procent rechts. De vier uitkomsten worden daarna samengevoegd tot één profiel.
Daar voegden de makers een eigen kunstgreep aan toe: de test preference index. Die kijkt naar hoe consistent een hond is over de verschillende taken heen, oftewel in hoeveel van de afgeronde tests hij überhaupt een kant koos. Scoort een dier in één test heel uitgesproken maar blijft het in de andere taken besluiteloos, dan zwakt die maat de eindscore af. Zo weegt een eenmalige uitschieter minder zwaar dan een voorkeur die in test na test terugkomt.
Geen groepsvoorkeur, wél individuele
De resultaten maken duidelijk waarom dat nodig was. Als groep trokken de honden geen poot voor, niet links en niet rechts. Maar zoom je in op de individuele dieren, dan komt in vrijwel elke test een duidelijke asymmetrie bovendrijven: de meeste honden kiezen wel degelijk een vaste poot, alleen niet allemaal dezelfde.
Eerdere studies stopten honden hooguit in drie hokjes, links, rechts of tweezijdig. De nieuwe schaal onderscheidt er vijf, met een zwakke en een sterke variant aan beide kanten. Volgens die indeling had bijna de helft van de honden een zwakke pootvoorkeur en ongeveer een derde een sterke. Slechts een op de vijf bleef echt tweezijdig. Opvallend was een sekseverschil: reuen kozen in de Kong-test als groep vaker de linkerpoot, teven niet. Datzelfde patroon zien we bij mensen, waar linkshandigheid iets vaker bij mannen voorkomt.
Juist in de dynamische looptest toonden de honden de mínste uitgesproken voorkeur. Volgens de auteurs activeert zo’n vlotte, symmetrische pas beide hersenhelften tegelijk, waardoor een sterke pootvoorkeur wordt onderdrukt.
Wat heb je eraan?
Waarom is dit meer dan een aardig weetje? De makers maten in deze studie alleen de motoriek, maar leunen voor de relevantie op eerder onderzoek. Daarin bleek pootvoorkeur samen te hangen met gedrag en zelfs met lichamelijke processen: met de afweerreactie na een vaccinatie bijvoorbeeld en met hoe een hond op iets nieuws reageert. Dieren met een sterke voorkeur gedroegen zich in dat oudere werk vaak zelfverzekerder, terwijl tweezijdige of zwak voorkeurspotige honden angstiger leken, onder meer voor onweer. Ook bij chronische stress zou de pootvoorkeur zwakker worden. Een betrouwbaardere maat zou daarom praktisch nut kunnen hebben, denken de makers, bijvoorbeeld om in te schatten hoe een asielhond eraan toe is of om werkhonden gerichter te trainen.
Toch is voorzichtigheid op zijn plaats. De test is uitgeprobeerd op een kleine groep van 43 honden en was een proof of concept, niet een afgerond meetinstrument. De schaal telt bovendien vier taken, tegenover tien in de menselijke versie, al maken de makers dat deels goed met meer herhalingen per taak. Alleen niet-gecastreerde dieren deden mee, dus of de uitkomsten ook standhouden bij gecastreerde honden of over meerdere dagen, is nog onbekend. En niet elke studie vindt een verband tussen pootvoorkeur en gedrag, dus de link met karakter en welzijn blijft vooralsnog een aanwijzing, geen uitgemaakte zaak.
Wil je niets van Scientias missen? Volg Scientias op Google Discover dan zie je al onze verhalen!
Uitgelezen? Luister ook eens naar de Scientias Podcast:


